Sluiten

Wollen winter wanten


’t Wordt weer winterweer. Van dat weer met die koude luchten, koude oren en lopende neuzen. Weer ook voor warme kleren, dikke sokken en zo. En natuurlijk ook lekker dikke dassen en wollen winter wanten. Maar weet je wat nu zo raar is: er is iets eigenaardigs aan de hand met die wanten en die dassen!

Let maar eens op en vraag het ook maar eens aan anderen om je heen: wie is er niet al eens een want of een das kwijtgeraakt? En nooit meer teruggevonden ... Ik wed: een héleboel grote en kleine mensen!

Kijk, iedereen raakt heel sóms wel eens wat kwijt, natuurlijk. Bijvoorbeeld een jas als het nog niet zo koud is. Die laat je dan hangen, even vergeten, en dan haal je ‘m later weer op. Of een paraplu die iemand liet staan omdat het toen net niet regende. Dat is heel gewoon. Maar wie raakt er nou iets kwijt dat hij juist wél erg nodig heeft? Zoals een broek. Of je schoenen. Dat komt haast nooit voor - toch?!

Wanten en dassen dus wel. Steeds maar weer zijn er heel veel grote mensen en kinderen die een handschoen of hun das kwijt zijn. En die ook nergens meer kunnen vinden – vraag dat maar eens op school! Dat is toch niet gewoon meer. Daar moet iets achter zitten, denk je niet?

Weet je wat ik denk: ik denk dat schoenen, broeken en sokken en zo gewoon veel meer bij ons horen. Die worden op maat gekozen en zijn heel speciaal alleen voor jou in gebruik. Ik denk dat die net zo zijn als hondjes: blij als ze bij hun baasje in de buurt zijn. Wanten en dassen zijn vast heel anders. Die zijn meer zoals vogeltjes: avontuurlijk en altijd onderweg ... Je kunt ook zomaar andermans wanten aan. ’t Zal ze worst zijn. Ze geven daar niks om. En zo’n das – ach, die past iedereen eigenlijk. Het zijn allemansvriendjes. Probeer dat maar eens met elkaars schoenen, die zijn heel anders. Die willen alleen maar bij jou passen.

Ik denk ook dat wanten best allemaal eens familie van elkaar kunnen zijn. Ze lijken vaak heel erg op elkaar, vind je niet? Misschien zijn heel wat ook wel van één lap stof of uit één bol wol gemaakt. Ze gaan reuze gemakkelijk met elkaar mee, ze gaan zomaar met iedereen mee. En zo’n das is al helemaal een rakker! Die verbergt zich als je even niet uitkijkt achter een andere jas, zodat je hem even vergeet en dan is ‘ie later ook nog met een ander op stap.

Als kinderen nog lekker klein zijn, dan maken moeders de wanten daarom vaak met een koordje aan elkaar vast. Dat gaat dan helemaal door de mouwen van de jas heen. Dat is slim natuurlijk en het helpt ook wel een beetje: maar sommige wanten gaan er dan toch nog samen vandoor ... Dus wat moet je doen? Op ze letten! Hou ze in de daten! Goed opletten: waar zijn ze, waar gaan ze heen? En met wie? En dan direct er achteraan, hè. Laat je niet voor de gek houden door ze. “Hier met jullie! Bij me blijven, denk er om!”

Tenslotte kunnen ze ook genoeg rondzwerven en rondkijken om jouw nek en aan jouw handen. Verwen ze ook eens door een extra blokje met ze te fietsen. Tot je van die winter-rode wangen hebt en een heel koud neuspuntje. Want dáár is geen wantje voor, natuurlijk. Maar je hebt dan nog wel lekkere warme handen en een warm gebleven nek. Want ze zitten er nog. En dat moet ook: ze horen gewoon bij jou. Die wanten en die das. En bij niemand anders.

Ik zou ze leren, de stiekemerds!