Sluiten

Wakkelkwinter


Vogels zijn soms goed bij de pinken. Weet je wel wat dat betekent, ‘goed bij de pinken’? Het betekent zoiets als: ‘lang niet dom!’. Nou, dat zijn vogels ook heel vaak niet. Dom. Zo zit er bij ons in de boom links om de hoek een merel die werkelijk heel práchtig zingt. Zó prachtig dat die zanger waar je pa of je moe of je grote broer zo dol op is er écht niet aan kan tippen. Geloof me maar! Maar goed, daarover misschien een andere keer – nu gaat het over de heer Oolmees.

De heer K.Oolmees om precies te zijn. K. Oolmees is een zwartgeel vogeltje dat een heel gezin heeft gesticht in onze tuin. In het nestkastje om precies te zijn. Wij mensen noemen hem simpelweg en in één keer ‘koolmees’, natuurlijk. We kennen elkaar dus wel, maar hij praat niet tegen mensen. Mensen gebruikt hij gewoon als handige hulpjes. Die een nestkastje voor zijn gezin neerhangen bijvoorbeeld. En hem zelf vooral voorzien van lekkere stukjes brood, wat vogelzaad of zelfs hele vetbolletjes. Vooral in de winter dan. Dat bevalt hem wel, want hij is een echte lekkerbek. En ook een ijdeltuit, trouwens. Zo één die niet lekker in een plas water gaat staan rondspetteren, zoals jij zou doen. Maar er juist heel stil en aandachtig zichzelf in bekijkt. Dat doet hij bijvoorbeeld ook in ons vogelbadje. “Hee, dat ben ik”, zie je hem denken en ook: “ik zie er nog best uit”. Hij draait zich nog eens rond, steekt z’n staart in de lucht en bekijkt zich gelijk ook even goed van de achterkant. Zo’n ijdeltuit dus. Hij vindt dan ook dat hij -als prachtvogel- eigenlijk gewoon récht heeft op allerlei extra, en vooral ook extra lekkere, hapjes. Daar moeten de mensen maar gewoon goed voor zorgen, vindt hij.

Maar nu, in dit vroege voorjaar, is hij ontevreden. Want hij vindt dat hij deze winter veel minder lekkers in de tuinen vond dan in eerdere winters. Er stonden wel dezelfde voederplankjes en allerlei andere vogelbakjes in de tuinen. En daar lag ook wel eens wat op. Een fijn gesneden korstje brood of zo. Hier en daar hing zelfs nog wel een enkel vetbolletje met wat zaadjes er in. En er was ook nog één dun strengetje pinda’s te bespeuren geweest, maar toch al met al veel minder dan in vorige jaren. Het zinde hem helemaal niet en daar foeterde hij nu hardop over.

Dat hoorde een andere buurtvogel: zijn buurman Pimpel. Want vogels verstaan ons niet, maar elkaar wel natuurlijk, dat begrijp je. Dus buurman Pimpel hoorde die koolmees naast hem flink foeteren. Daar keek hij van op, want hij kende hem wel als een grote ijdeltuit en bovendien een knap eigenwijze vogel, maar toch ook als een vrolijke buurman. Eéntje vol sterke verhalen en vrolijk gefluit.

Daarom vroeg Pimpel aan Koolmees wat er nou zo te “woeteren fas”, eh, “te fasteren woest”, hè! Zie je, dat heeft Pimpel nu altijd: hij haspelt de dingen door elkaar en doet de volgorde verkeerd. Een klein spraakgebrek eigenlijk, maar wel reuze lastig!

“Hè”, herhaalt Pimpel dus wat nijdig tegen Koolmees, ”dit hap ik nu tijdal; hik aspel dingen doormekaardoorheen wanvege een spaakgerrek en dan gaat de dolgvorde gekeerd!” Koolmees moet daar om lachen en hij is meteen over zijn gemopper heen.

“Maak je niet druk”, zegt hij, “dat weet ik toch allang. En als ik iets niet begrijp, dan zeg je dat toch gewoon nóg een keer” Kijk, dat is verstandige taal. Dat moet je als lezer of voorlezer ook doen natuurlijk, als je Pimpel even niet volgen kunt. Gewoon nóg een keer luisteren. “Volgens mij vroeg je waarom ik zo aan het foeteren was”, gaat Koolmees verder. Pimpel knikt – ja, dat bedoelde hij.

“Nou”, begint onze Koolmees, die opnieuw een beetje nijdig wordt nu hij aan de reden van zijn gemopper denkt, “ik vind dat de mensen deze winter maar weinig lekkere hapjes hebben neergelegd of opgehangen. Heb jij dat ook gemerkt?”

Pimpel schiet in de lach: “Lat dicht niet aan me dénsen, wis de dinter!” roept hij. Daar moet Koolmees diep over nadenken. Maar hij begrijpt het niet. Hij schud zijn kopje. Dus zegt Pimpel het nog maar een keer. En nu gaat onze Koolmees een licht op:

“Oh, je bedoelt dat het aan de winter ligt”, zegt hij, “wat is daar dan mis mee, met die winter?”

“Hes te Wakkelkwinter!” antwoord Pimpel, waarbij hij nadrukkelijk en een beetje plechtig knikt.

Koolmees krijgt nu diepe rimpels van het nadenken onder zijn voorhoofdsveertjes. Maar hij komt er echt niet uit.

“Een wàt..?” vraagt hij tenslotte.

“Negte Wakkelkwinter!”, roept Pimpel weer nadrukkelijk maar nu ook een beetje wanhopig. “Een Kwinterakkel, eh nee, in Winteringkwak, eh –wacht nou effe: een Kwinkelkwakker, hè nee…” Pimpel komt er niet meer uit. Hij krijgt een rood koppetje en schudt daar ellendig mee. Hij wordt er benauwd van, zó hard probeert hij het goed te zeggen. Intussen denkt buurman Koolmees goed na over dat eerste woord. Wakkelkwinter.

Als ik nu eens wat letters omdraai, denkt hij. En dan ineens weet hij het!

“Kwakkel-winter, je bedoeld Kwakkel-winter”, roept hij blij. “Dus dát is het: omdat er haast geen ijs is geweest en al helemaal geen sneeuw is gevallen denken de mensen dat wij zelf al wel voedsel genoeg kunnen vinden”.

Pimpel knikt heftig – zó is het!

Ons koolmeesje denk er even over na en knikt dan met Pimpel mee. “Je kon best eens gelijk hebben”, zei hij, “en de mensen hebben ook een beetje gelijk. Nu je het zegt: er was wel voedsel genoeg eigenlijk. Maar ik heb tóch hun hapjes gemist. Die zijn vaak extra lekker! Tenslotte groeien er geen vetbolletjes aan de struiken hier of zitten er zomaar pinda-strengen in een boom.” Daar heeft hij gelijk aan, natuurlijk.

Dénk er dus op tijd aan, hè. Als het weer winter wordt. Echt nódig is het niet – maar je doet er die Koolmees duidelijk véél plezier mee.

Pen Iempel oorlijk natuur!

Eh, ik bedoel: en Pimpel natuurlijk ook!