Sluiten

Voetbalschoenen


Er waren eens twee schoenen. Een broertje en een zusje schoen of zoiets, denk ik, want schoenen horen altijd per twee bij elkaar. Aan één schoen heb je niks.

Hendrik had nieuwe schoenen gekocht, samen met z’n moeder. En die spiksplinternieuwe schoenen die vond ‘ie eigenlijk veel té netjes staan. Dat vond Hendriks moeder nou juist fijn, want Hendrik moest van haar altijd hele nette kleren aan.

Maar Hendrik vond dat helemaal niet zo fijn. Die wou veel liever een lekkere spijkerbroek aan. Met liefst vast veel mooie vlekken en slijtplekken erop. Dan kon je lekker gaan voetballen of boompje-klimmen of zo.

Maar als Hendrik zoiets zei dan keek zijn moeder hem verbaasd aan, stak haar kin in de lucht en zei dingen terug zoals, ‘Beste jongen, daar kan geen sprake van zijn! Jij bent niet voor niets de zoon van een directeúr! Zonen van directeuren dienen er nu eenmaal netjes bij te lopen. En nou Basta! Je ziet er keurig uit, zorg er liever voor dat dat zo blijft.’

‘Hmm’, zei Hendrik dan. Hij zei wel vaker ‘hmm,’ vooral als hij het ergens niet mee eens was. Dan hoefde je niet tegen te spreken maar dan had je tóch je mening gezegd, zo dacht hij. Maar dat viel zijn moeder helemaal niet op, die luisterde niet eens naar hem.

Hij zuchtte en trok de nieuwe schoenen maar gewoon aan.

Maar weet je: je vergeet je schoenen, hé. Nieuw en keurig of niet, je vergeet je schoenen als je eenmaal een tijdje aan het spelen en rennen bent. Heel lang rennen kon Hendrik nu nog niet, want hij moest nu eerst naar school. Hendrik ging elke dag naar school met de bus. En dus liep hij op z’n nieuwe schoenen, die hij alweer vergeten was, naar het bushokje.

‘Hallo Hendrik,’ zei de dikke mijnheer die ook elke dag om die tijd op de bus stapte. Die moest vast naar zijn werk, dacht Hendrik, want hij was al veel te oud voor school.

‘Oh, dag mijnheer,’ wou Hendrik terugzeggen, maar vóór hij dag had gezegd… gaf hij plotseling die mijnheer een enorme schop onder zijn gat!

‘AUW!’ riep die mijnheer. ‘Maar jongen wat doe je nu? Dat kan toch niet. Ben je nou helemaal?! Jij verdient een pak slaag.’ En hij wou Hendrik meteen al in zijn kraag grijpen, maar Hendrik deinsde geschrokken achteruit.

‘Ik kon het echt niet hélpen,’ riep hij.

‘Ja, ja, dat zal wel. Kwajongensstreken,’ zei de mijnheer mopperend, maar hij kwam Hendrik gelukkig niet achterna toen die gauw een paar meter verderop ging staan.

Toen kwam mevrouw Van Dalen er aan. Mevrouw Van Dalen ging ook wel eens een enkel keertje met de bus mee. Als ze naar de stad wou voor boodschappen.

‘Dag Hendrik. Lust jij wel een snoepje?’ zei ze, want mevrouw Van Dalen had áltijd snoepjes bij zich.

Hendrik knikte van ‘ja.’ Hij mocht eigenlijk geen snoepjes aannemen van zijn moeder, maar hij vond ze veel te lekker om ‘nee’ te zeggen. Mevrouw Van Dalen zette nu haar grote tas, waar de boodschappen in moesten, op de grond, bukte zich en begon te rommelen in het zijvak op zoek naar haar snoepjes.

Ze stond dus krom en vlakbij Hendirk dus je raad het al: PATS! deed de schoen van Hendrik. Recht tegen het achterwerk van mevrouw van Dalen.

Oeh, Aaah, Ooh!’ riep mevrouw van Dalen terwijl ze overeind schoot en met haar armen stond te zwaaien om haar evenwicht te bewaren.

‘Dat heb ik gezien, jongeman!’ riep de dikke mijnheer verderop en hij kwam op hen toe te lopen. ‘Je kon er niks aan doen zeker? Nou ik geloof er niks van. Hier!’ en hij gaf Hendrik een draai om z’n oren dat die oren ervan gloeiden!

‘Maar ik, maar ik kon er echt niks…’ begon Hendrik weer.

‘Daar geloven wij helemaal niets van!’ en ‘Foei! Jij krijgt nooit meer een snoepje van mij!’ riepen die mijnheer en mevrouw van Dalen nu dwars door elkaar heen. Op dat moment kwam gelukkig de bus.

Hendrik had nu een vuurrood hoofd en zijn oren gloeiden nog. Hij stapte gauw de bus in, liep vlug het gangpad door en ging helemaal achterin de bus zitten. Maar weet je, op diezelfde dag gaf hij de meester nog een schop en moest hij voor straf in de hoek staan. En later op de dag gaf hij de jongen die schuin voor hem in de klas zat zomaar weer een schop. Toen moest hij ook nog heel veel strafregels schrijven.

Hendrik raakte helemaal in de war.

‘Hoe kan dat toch?’ dacht hij, ‘Ik kan er écht niks aan doen!’

Maar niemand geloofde dat van Hendrik. En dat komt omdat ménsen schoenen nu eenmaal niet kunnen horen! Want als mensen wel schoenen konden horen, dan hadden ze vast wel gehoord dat de linkerschoen die dag al wel tien keer tegen de rechter schoen had gezegd: ‘Ik hou zo van Voetballen!, Jij ook?’

‘Ik nog méér,’ antwoordde de rechterschoen – ook op zijn Schoens natuurlijk.

‘Maar ik mag nooit,’ zei de linkerschoen weer, ‘Ik moet vooral netjes en rechtop lopen. Met Hendrik en zijn moeder. Bah!’

‘Ik weet er alles van,’ zuchtte de rechterschoen en ze keken somber voor zich uit.

Het was even stil.

‘En toch blijf ik af en toe lekker een schop geven!’ zei de linkerschoen even later opstandig.

‘Dat hóórt niet,’ zei de rechter. ‘Het béén waaraan je zit hoort de schop te geven, niet de schoen’.

‘Dat kan wel wezen,’ barstte de linkerschoen los, ‘maar ik doe het toch! Ik wíl voetballen. En als ik niet kan voetballen dan schop ik tóch. Dan schop ik gewoon zo maar wat. Lekker puh! Wacht maar tot ik weer een bil zie of zoiets, dan geef ik die toch een dreun!. Ha, van je één, twee…’

‘Ja. Ja,’ zei de rechter weer, ‘Ik heb ’t wel begrepen. Maar het hóórt niet.’

Kammenieschele!’ riep de linkerschoen kwaad.

‘Ho, ho, rustig maar,’ zei rechter. ‘De ménsen horen je toch niet. Ze verstaan schoenen niet.’

‘Nee, dat is waar,’ zuchtte de linkerschoen nu. ‘En ik heb toch echt zo hard gekraakt als ik kon.’

‘Ja,’ zei rechter wijs. ’Maar als je hard kraakt, dan zeggen de mensen: “Nieuwigheid, ik moet ze zeker eerst nog wat inlopen”. En dan letten ze er verder niet meer op. Ze hebben er geen idee van dat eens schoen ook eigen wensen kan hebben.’

‘Nee, dat is zo,’ mompelde linker en ze keken weer een tijdje bedremmeld voor zich uit.

Hendrik wist dit allemaal niet van zijn schoenen natuurlijk. Hij snapte er wel niks van, maar hij dacht toch echt dat het allemaal door hem kwam. Ook al kon hij ’t echt niet helpen.

Hij zat nu thuis aan tafel. Hij had z’n strafregels net af en z’n schoenen uit. Dus gebeurde er aan tafel gelukkig even niks. Maar ’s avonds kregen ze visite. Toen moest Hendrik zijn nieuwe schoenen aan zei moeder, want hij moest er netjes bijlopen. ‘En er ook netjes bijzitten natuurlijk,’ zei z’n moeder nog.

Maar toen kreeg ze een schop van Hendrik! Moeder werd natuurlijk geweldig boos op hem. En later bij de visite stond hij plotseling stevig op iemands tenen. Die werd dus ook weer boos! Hendrik stond nu het huilen nader dan het lachen. Wat was er toch met hem aan de hand?

Sacherijnig keek hij naar z’n schoenen. Wat een rotschoenen, dacht hij, sinds ik deze schoenen heb gaat alles mis!

De volgende dag zeurde Hendrik zijn moeder de oren van het hoofd over zijn nieuwe schoenen. Dat ze zo kraakten. En dat ze niet lekker zaten. En dat ze zo stijf bleven. En dat ze zo moeilijk aan te trekken waren. En dat ze ook slecht uit wilden. Hij zeurde net zo lang tot hij ándere schoenen kreeg en deze niet meer aan hoefde!

‘’t Is wel zonde!’ zei Hendriks moeder, maar ze zette de schoenen waar Hendrik zo’n hekel aan had gekregen toch maar naast de vuilniszak aan de straat.

Een uurtje later kwam Keesje daarlangs. Keesje had knalrode haarsprieten. Die stonden meestal rechtop op zijn hoofd. Keesje Rooiepiek, noemden ze hem wel in de klas. Maar niet als Keesje in de buurt was. Want dan kwam er zo maar een blauw oog aan te pas! Keesje had ondeugende pretoogjes en hij hield van boomhutten bouwen en van woeste spelletjes waar hard bij gehold moest worden. En van voetballen op het plein natuurlijk.

Keesje was net bezig tegen alle vuilniszakken onderweg aan te schoppen toen hij de schoenen zag staan.

‘Hé een paar ferme stappers,’ zei Keesje. ’En nog aardig nieuw ook zo te zien.’ Hij draaide de schoenen om. ‘Lekker stroeve zool, zouden ze mij passen?’ mompelde hij. Hij ging op de stoeprand zitten en probeerde ze dadelijk.

‘Passen prima,’ zei Keesje toen hij weer ging staan. ’Ze zijn beter dan de mijne. Wie gooit er nu zulke goeie schoenen weg? Eens even proberen…’

En hij draafde eens een rondje en holde daarna de straat door.

‘Lopen puik! Stevig neusje ook,’ riep Keesje even later en hij gaf een fikse schop tegen een lantaarnpaal. ’Voel je niks van’.

De lantaarnpaal stond stilletjes te mopperen, zoals lantaarnpalen doen.

De rechterschoen riep enthousiast: ’Dat was een knal! Nóg zo’n poeier!’

‘Nee, eerst ik,’ zei linker direct. ’Jij bent net al geweest, nu ik eerst!’

Kleurplaat

Ze werden allebei een heel stuk vrolijker aan de voeten van Keesje, want die struinde stevig door de modder en hij klom op elke bult zand of grind die hij kon vinden en hij gaf een schop tegen elke steen die hij los zag liggen.

Keesje hoorde de lantaarnpaal natuurlijk niet en ook de schoenen niet, maar hij bedacht wél dat schoenen met een lekker stroeve zool en zo’n stevig neusje ook héél geschikt zouden zijn voor een lekker potje voetballen. Keesje had zijn oude schoenen in het tuinschuurtje gezet en deze nieuwe maar direct aangehouden. En omdat hij ze al zo vies had gemaakt zag niemand dat hij andere schoenen aan had.

Maar de volgende dag na school ging Kees met de andere jongens voetballen op ’t plein en toen merkte iedereen wél iets van Kees z’n schoenen. Alleen wisten ze niet dat het de schoenen waren. Keesje wist dat ook niet, maar wat hij wel wist was dat ‘ie nog nooit zó goed gevoetbald had!

Hij schopte de bal harder dan ooit. Hij schopte de bal vérder dan ooit. Hij liep ook harder en hij draaide sneller dan ooit daarvoor! Al gauw werd onze Keesje de held van de pleinvoetballers.

En de schoenen? Die kregen kale neuzen. En afgetrapte hakken. En modderige barsten in het bovenleer. Maar dat kon ze niks schelen, ze genóten voor tien!

‘Woepie!’ juichten ze als Keesje weer eens een loeiier van een schop tegen de bal gaf en ze kraakten om ’t hardst van genoegen. En toen ze een jaartje later helemaal afgetrapt en versleten wéér bij de vuilniszak stonden waren ze tevreden oude mannetjes geworden, die herinneringen ophaalden aan elke wedstrijd.

En weer later, op de vuilnisbelt…

…deden ze dat nog.