Sluiten

Terrasmus


We zijn weer terug van een vakantie reisje. Doen jullie dat ook wel eens: op reis met de vakantie?

Veel mensen gaan dan naar een strand of zo. Wij niet, want wat maak je daar nou helemaal mee? Allemaal mensen die jou meestal in de weg lopen, liggen of staan en een paar dooie dieren op de waterlijn. Kwallen, kapotte schelpen en soms een dode zeester. Wij zwerven meer door bos of bergen of gewoon waar de wind ons heen waait. Dan weet je nooit wat je zomaar tegenkomt.

Als je veel wilt meemaken is trouwens eigenwijsheid ook heel belangrijk! Want als je lekker eigenwijs bent, dan kijk je helemaal zélf. Dan zie je dus niet gewoon wat al die anderen zien en wat ook al op de vakantiekaarten staat. Nee, dan zie je ook allerhande dingen die jou zomaar opvallen en de meeste andere mensen niet!

Wij zaten bijvoorbeeld op een terrasje. Je weet wel: een paar tafeltjes bij elkaar op een leuk pleintje met een paar van die zonneschermen erboven. We namen er wat lekkers: een groot glas drinken en een fijn stuk gebak! En let maar eens op wat de meeste mensen dan doen. Die kijken naar hun gebak en naar elkaar en vaak ook naar de mensen die voorbij komen. Niet doen dus, want dat doen de anderen al. Probeer, heel eigenwijs, of er ook ándere dingen zijn om naar te kijken.

Als ik dat niet gedaan had, dan had ik daar de Terrasmus beslist gemist. En zijn grote vriend, de terraspoes.

Dat zat zo: het viel me plotseling op dat er een musje was dat vast bij dit terras hoorde. Want hij bleef steeds onopvallend in de buurt en zodra er mensen opstonden en weggingen, dan streek die mus neer op hun nog niet afgeruimde tafeltje en pikte er kalm en bedachtzaam naar de állerlekkerste kruimeltjes.

Af en toe legde hij er weer eentje terug, die was vast niet zo lekker als de kruimels ernaast. Soms keek hij zuinigjes rond of er toch niet nóg lekkerder kruimels waren die hij misschien over het hoofd had gezien… Hij proefde nog maar eens en keek daarbij voortdurend oplettend om zich heen.

Ik dacht dat hij zoveel rond keek om er zeker van te zijn dat hij niet werd overvallen door de ober of door de andere mensen op het terras. Maar dat bleek een vergissing. De gasten op het terras en de ober interesseerden onze Terrasmus geen biet. Die waren er wat hem betreft uitsluitend om lekkere dingen te organiseren en er flink mee te kruimelen. Voor hem dan natuurlijk. Nee, onze Terrasmus keek uit naar een andere vaste bezoeker: de terraspoes!

Want ja hoor, daar kwam die al aan wandelen … Een dikharige, donkere, dromerig kijkende en niet-meer-zo-jonge dame. Ze wandelde kalm tussen allerlei voeten en stoelpoten door het terras op, negeerde alle mensen en zocht toen met haar ogen de Terrasmus.

Zodra ze die zag keek ze hem lang en onbewogen aan, even leken ze naar elkaar te knipogen, maar toen deed ze uitdagend drie snelle stappen in de richting van het tafeltje van de mus, waarop die -na een korte aarzeling- een tafeltje achteruit wipte. De lome terraspoes vond zo wel weer voldoende bewezen dat zij de baas was, denk ik, want direct daarna zocht ze een behaaglijk plekje op de tegels op, in het zonnetje en daar krulde ze zich op.

Na een minuutje of wat werd het haar daar toch te warm. Dus kwam ze overeind, deed weer een paar stappen in de richting van het tafeltje waar de mus nu aan ’t snoepen was, wachtte tot die weer een tafeltje achteruit hipte en ging daarna kalmpjes in de schaduw liggen.

En zo ging het de hele tijd dat wij daar zaten door met die twee. Eerst dacht ik: die poes weet vast al dat de mus vlugger is dan zij, dus maakt ze alleen maar wat schijnbewegingen en ziet er verder van af om op de mus te jagen.

Maar toen ik langer keek begon ik toch te geloven dat het anders zat. Het leek er op dat de poes en de mus elkaar al langer kennen. En heel goed kennen. Ze zijn inmiddels gewoon buren. Allebei vaste terras liefhebbers. Misschien vinden ze elkaar wel heel aardig gezelschap. Tenslotte zijn zij de enigen die op dat terras blijven. Alle andere bezoekers stappen voortdurend weer op.

Eigenlijk zijn zij de bezitters van het terras, want ze zijn er elke dag. Altijd. Dus zijn ze misschien allang heel goed bevriend, mevrouw Poes en de heer Mus. Misschien zijn die drie stapjes naar Mus toe van haar en dat eventjes opvliegen van hem, wel een trucje. Iets om ons bezoekers zand in de ogen te strooien.

Want volgens ons mensen hóórt het natuurlijk zo, dat de kat op de vogel jaagt. En dat wéten ze, die twee. Dat dat volgens ons zo hoort. Ook op warme zomerdagen. Ook als je allebei eigenlijk veel gemakkelijker zomaar lekkere dingen op zo’n terras te pakken kunt krijgen. Dus helemaal niet hoeft te jagen…

Daarom doen ze net alsof. Doen ze een soort toneelstukje: zij zet een paar pasjes richting de mus. Niet te veel. Net genoeg om de goede bedoelingen aan ons te tonen, maar niet zoveel dat ze er moe van wordt. En hij hipt even terug. Eén tafeltje terug vindt ‘ie daarbij wel voldoende. En daarna gaan ze weer gewoon door met zich te laten verwennen.

Misschien gaan ze er straks, als wij allemaal naar ons huis of onze tent, onze caravan of hotel zijn, wel met elkaar over opscheppen: wie die middag de lekkerste hapjes heeft weten te veroveren! Of hoe ze er allemaal weer intrapten, die domme mensen. In hun toneelstukje van jagende poes en bange mus. En dan lachen ze ons stiekem uit. Misschien zit het wel zo.

Misschien hoor, zeker weten doe ik dit nog niet echt. Daarom moeten we maar gauw weer daarheen op vakantie – om het uit te zoeken. Mijn huisgenootjes vinden dat geen gek idee, gauw wéér op vakantie. Maar ja, het geld is op. En het werk is weer begonnen. En kinderen moeten weer naar school. Dus dat gaat wel even duren. Maar volgend jaar doen we het vast weer. Misschien komt er dan weer een verhaaltje van.

Als je maar goed kijkt, hè. Eigenwijs goed kijkt!