Sluiten

Snurkjes


Weet je eigenlijk wel wat een Snurkje is? Een snurkje is wat je soms hoort als iemand ligt te slapen. ‘Grrrh, Grôhh’, hoor je dan. Dát is een Snurkje. ‘Ik hoor snurken,’ zeggen we dan, ‘die mevrouw of die meneer of dat kindje snurkt.’ Dan knòrren ze dus in hun slaap.

Maar wat de mensen niet weten is: dat zij niet snurken, maar dat er Snùrkjes zijn! Zo’n Snurkje, dat kun je haast niet zien – zó klein is het. En het kruipt het liefst in je neus. Waarom? Omdat het een lekker vochtig, donker plekje is. Snurkjes houden van vochtige, donkere plekjes! Daarom hoor je ook nog wel eens een kraakje in een oud huis. Daar is dan ook ergens een vochtig, donker plekje. En daar zit dan ook vast weer een Snurkje in verstopt. Maar mééstal zitten Snurkjes in neuzen. ‘Want daar waait het ook nog eens lekker fris doorheen,’ zoals de Snurkjes zelf zeggen.

Nu was er een mijnheer Willemse. En die mijnheer Willemse, die had ook een vrouw. Je raadt het al: mevrouw Willemse. En die mevrouw Willemse riep op een goeie morgen, ‘Mán, ik wou dat je niet zo verschrikkelijk snurkte!’

‘Kan ik daar wat aan doen?!’ bromde mijnheer Willemse slaperig, want hij keek wel eens naar de televisie. En daar roepen mensen dat ook heel vaak als ze wat gevraagd wordt. Maar hij dácht het nu ook echt.

‘Nou,’ zei mevrouw Willemse, ‘als je dan eens op je ándere zij gaat liggen.’

‘Da’s goed hoor,’ bromde Willemse braaf en ging op zijn andere zij liggen.

Hij viel weer in slaap – en al gauw hoorde je: ‘Grrr, Grôhh, Grrauwww, GrrrrrRRR,’ want die Willemse die kon er wat van, hè. Mevrouw Willemse deed geen oog dicht!

Daarom zei ze de volgende morgen, ‘Man, dat snurken moet ophouden.’

“Kan ik daar wat aan doen?!’ baste mijnheer Willemsen terug, want hij zei nogal eens vaak hetzelfde als hij zo gauw niets anders wist te zeggen.

‘Ja, hóór eens,’ ging mevrouw Willemse verder, ‘dán moet je maar gewoon ... eh, dan moet je eigenlijk maar … eh, tja.’ En verder wist ze het ook niet meer. Want wat kun je eigenlijk doen aan een Snurk?

‘Dan moet je voortaan maar opblijven,’ besloot ze.

‘Opblijven?!’ protesteerde mijnheer Willemsen, ‘Ik wil óók slapen!’

‘Tja, dat kan dus niet meer,’ ging mevrouw Willemse door, ‘Je moet maar gewoon opblijven, blijf voortaan maar zitten in die stoel van je en blijf dan vooral goed rechtop zitten.’

Dus die avond ging mijnheer Willemse in die stoel zitten toen het allang donker was. Na een uurtje begon hij te knikkebollen, zijn hoofd zakte op z’n kin en een poosje later hoorde je weer -heel zachtjes- ‘Grr, Grôh.’ Maar toch, véél geluid kwam er nu niet meer uit. En dat kwam omdat het Snurkje in zijn neus een beetje boos werd. Hij dacht, ‘Wanneer gaat die Willemse nou eens liggen?’ Want weet je, als je rechtop zit, dan wijst het gaatje in je neus naar beneden en dan moeten Snurkjes zich echt goed vasthouden, anders vallen ze eruit!

‘Nou laat ik toch echt los hoor,’ dacht het Snurkje dan ook toen het zo’n halve nacht geduurd had, dat geknikkebol. En zo verdween hij uit de neus van mijnheer Willemse. Die mijnheer Willemse vond dat fijn. Hartstikke fijn!

Maar mevrouw Gerritsen vond er niks aan. Want mevrouw Gerritsen was de volgende neus die ons Snurkje tegenkwam. Dus je snapt het al: eerder had mevrouw Gerritsen nooit gesnurkt, maar nú hoorde je ‘Grrrrk, Grraawww, Grôôhhh!’ dwars door de stille nacht.

‘Hézeg!’ riep mijnheer Gerritsen daarom al gauw en hij ging rechtop zitten. ‘Is dat nu afgelopen? Ik kan het slapen wel vergeten met dat gesnurk van jou!’

‘Ik kan er écht niks aan doen,’ zei mevrouw Gerritsen. Ze zei het met een snikje in haar stem, van schrik, omdat mijnheer Gerritsen zo kwaad klonk. Maar ja, die had nu al drie nachten niet geslapen van dat lawaai naast hem, dus die was niet zo erg meer in de stemming voor een vriendelijk praatje.

‘Het moet nu gewoon UIT ZIJN!’ schreeuwde hij daarom.

Mevrouw Gerritsen ging de volgende morgen naar de dokter. De dokter keek in haar neus. Hij zei, ‘Ik zie zo direct niks, maar er kan natuurlijk toch wel wat inzitten. Misschien moet uw neus wel wat schoner van binnen. Ik geef u neusdruppeltjes mee.’

Dus mevrouw Gerritsen druppelde haar neus die avond voor het slapen gaan. En die druppeltjes vielen op de Snurk. ‘Ah, hé, wat is dat nou?!’ riep de Snurk toen hij nat gedruppeld werd. Die druppels prikten, dus hij haastte zich de neus van mevrouw Gerritsen uit!

Maar wat nu? De Snurk wist het niet meer. ‘Overal waar ik kom ben ik niet welkom,’ dacht hij, ‘daar wordt ik weer weggejaagd.’

‘Als iedereen mij uit de neus wil jagen, waar moet ik dan naartoe?’ zei hij hardop.

Tsjoepp! klonk het vlakbij en een piepklein stemmetje piepte, ‘Wie ben jij?’

Wat was dat? Het bleek een heel klein vlootje dat daar vrolijk rondsprong, want er was ook een hond in het huis van de Gerritsens. En honden hebben vaak van die kleine vlootjes in hun vacht.

‘Tja, dat weet jij misschien niet zo, als vlo dan, maar ik ben een Snurk,’ zei de Snurk.

‘Oh,’ zei de vlo. Hij wist dat inderdaad niet, want een vlo snurkt niet. Te kleine neusgaatjes, hè?

De Snurk legde de vlo uit waarom hij uit alle neuzen werd weggejaagd.

‘Maar waarom snurk je dan ook zo?’ vroeg de vlo.

‘Stomme vraag! Een Snurk snurkt, net zoals een bij bijt... eh, zoemt, bedoel ik. Da’s een slecht voorbeeld,’ riep de Snurk uit.

‘Ja,’ grinnikte de vlo, ‘ik bijt ook wel eens en daar zijn ze niet blij mee, maar een vlo vlooit niet. Degene die de vlo heeft, die vlooit!’

‘Ik bedoel, een Snurk snurkt zoals een fiets fietst,’ zei de Snurk toen maar gauw, maar hij moest wel lachen om het verhaal van de vlo.

‘Waarom ga je niet naar een plek waar ze Snurkjes juist leuk vinden?’ vroeg de vlo.

De Snurk leek dat wel een goed idee, maar hij zuchtte, ‘Zulke plekken bestaan vast niet. In elke neus waar ik kom wordt ik nagejaagd met wattestokjes, neusdruppels en dat soort dingen.’

‘Oh, jij komt alleen in neuzen,’ zei de vlo en hij dacht diep na. ‘Misschien moet je eens een olifant proberen,’ zei hij toen, ‘want die heeft de grootste neus die er is!’

‘Wat een ontzettend goed idee van je. Bedankt! Ik ga een olifant zoeken,’ zei de Snurk en hij ging meteen richting dierentuin.

Onderweg kwam hij nog vijf Snurkjes tegen die óók allemaal een nieuwe neus zochten. Ze gingen met hem mee. Toen ze er waren klommen ze met z’n zessen tegelijk ongemerkt de slurf van de olifant in.

De nacht viel in de dierentuin en…plotseling sprong iedereen overeind! De leeuwen brulden en alle dieren waren in rep en roer. De oppassers kwamen aangerend en de Brandweer rukte uit. Ook een ziekenauto kwam aangesneld, ‘Oehoe-oehoe-oehoe,’ gingen hun sirenes. En even later flitste het blauwe zwaailicht van de politie ook nog rond. Het was een kabaal van jewelste. Maar bóven alles uit hoorde je de oorzaak van al die drukte, een werkelijk oorverdovend gesnurk!

De halve stad liep uit naar de dierentuin en de andere helft belde op en riep in de telefoon, ‘of het nou, verdorie, niet eens afgelopen kon zijn met dat gesnurk dat dwars door ons dubbelglas de kamer hier in komt knetteren!’ en ‘dat we nu wel eens een keer willen slapen, ja!’ en ‘of ze weleens hadden gehoord van burengerucht,’ en zo ging het maar door.

Na een kort onderzoek werd natuurlijk al snel duidelijk dat het de olifant was die zo keihard snurkte. Dus die werd wakker gemaakt. Daarna schudde hij treurig met zijn kop dat hij het ook niet helpen kon. De tranen stonden hem in de ogen. De Snurkjes kregen medelijden met hem en zeiden tegen elkaar, ‘Dit is óók niet de goede plek,’ en ze glipten de slurf uit.

Een eindje verderop gingen ze een beetje moedeloos op de stoeprand zitten.

‘Waar kun je heen, als Snurk?’ zuchtte Snurkje nummer 1 met een klein stemmetje.

‘Een Snurk wordt nergens gewaardeerd,’ knikte Snurkje nummer 2.

‘Snik!’ klonk Snurkje 3, want Snurkje 3 was snel van slag en een echte huilebalk.

‘En tóch wil ik weer in een verse neus!’ riep Snurkje nummer 4, met wie dit verhaaltje begon, want hij werd door alle avonturen een steeds dapperder Snurk die zich niet zo gauw meer uit het veld liet slaan. Dáár sloten alle Snurkjes zich bij aan. Ze wilden allemáál wel een lekker verse, vochtige, nieuwe neus. Maar wáár?

Ze zaten er nog toen een klein hondje lucht van hen kreeg, ze even besnuffelde en vroeg wie ze waren en wat ze daar deden. Want hij werd elke dag uitgelaten op deze stoep en hij had nog nooit eerder Snurkjes geroken of gezien.

Gelukkig hebben honden goede oren, want Snurkjes zijn nog véél kleiner dan de kleinste hondjes – anders zouden ze niet in je neus kunnen, hè? En al kunnen ze wel aardig hard snurken, als ze praten hebben dus maar piepkleine stemmetjes. Het hondje hing dus zijn grote luisterlap vlak boven de Snurkjes en hoorde zo hun hele verhaal. Hij hoorde van hun verlangen naar fijne, niet te kleine neuzen om in rond te kunnen snurken.

Wraf!’ zei het hondje, ‘Dat gun ik jullie best. Zolang je het maar niet bij mij doet, want als ik de hele nacht snurk gooit mijn baasje mij het huis uit.’

‘Dat is ons probleem dan ook,’ zeiden de Snurkjes direct, ‘We worden overal uitgegooid!’

‘Jullie zoeken dus een neus die blij met je is. Waar je vrolijk in kan Snurken. En waar de neuseigenaar blij is met geknor en geronk?’

‘Jaaa,’ riepen de Snurkjes.

‘Nou dan weet ik de ideale plek, Wraf!’ zei de blaffer, ‘want ik ben opgegroeid op een boerderij. En dáár weet ik een Snurkjes-paradijs! Ik wil jullie er wel heen brengen, maar niet in mijn neus. Kruip maar tussen mijn staartharen en houd je goed vast.’ Dat deden de Snurkjes.

En zo kwamen ze op de boerderij aan. Daar dook het hondje onder een hekje door en waadde een eindje door een modderplas – met z’n staartje omhoog zodat de Snurkjes gelukkig niet door de modder gesleurd werden. Tenslotte kroop hij onder een lage plank door een schuurtje in.

En in dat schuurtje klonken de mooiste geluiden op die de Snurkjes ooit gehoord hadden! ‘Grrr, Gnôrrr, Knrrrr, Grurrrr!’ klonk het. Alle mogelijke snurkachtige geluiden. Door elkaar heen en achter elkaar door. De snurkjes vonden het práchtig!

‘Schitterend!’ riepen ze, ‘Wat zijn dit?’

‘Dit zijn nu várkens,’ zei de hond.

‘Geweldig, Leve de Varkens!’ riepen de Snurkjes en stormden erop af. Maar toen zij dicht bij de varkensneuzen kwamen riep de eigenaar van zo’n neus, ‘Hé daar, weg jij! Ik heb al knorrepotten genoeg zeg!’

En toen bleek dat er in elke varkensneus al heel wat Snurkjes woonden. Dáárom knorren varkentjes dus ook zo lekker, natuurlijk. Het waren wel heerlijk ruime en lekker vochtige neuzen, maar ook vólle neuzen. Neuzen vol met eerdere Snurkjes.

Teleurgesteld wilden onze zes Snurkjes de varkensschuur alweer uitlopen, toen ze plotseling een bibberend varkentje zagen dat was weggekropen in een donker hoekje van de schuur.

Het dapperste Snurkje ging dicht naar het grote oor van de big toe en riep daarin, ‘Wat doe jij nou?’ Het varkentje schrok, maar omdat het maar een heel klein stemmetje was, schrok hij maar een klein beetje en gaf hij wel antwoord.

‘Ik ben bang!’ zei hij.

‘Waarom?’ vroeg onze Snurk.

‘Omdat de boer mij wil slachten om op te eten,’ bibberde het varkentje terug.

‘Waarom?’ vroeg ons Snurkje weer.

‘Omdat hij denkt dat ik ziek ben en dus niet zal doorgroeien tot een mooi dik, roze varken,’ antwoordde het varken treurig.

‘Waarom?’ vroeg het Snurkje nu voor de derde keer.

‘Omdat ik niet kan knorren net als alle anderen hier, daarom denkt hij dat ik ziek ben!’

Kleurplaat

‘Oh, maar dáár weet ik wel iets op!’ riep ons Snurkje nu vrolijk, ‘Buk zo maar eens met je neus tot vlak boven het stro en adem flink in!’ En hij rende terug naar de andere snurkjes, wees toen naar boven en riep, ‘Dáár komt de ideale neus aan voor ons alle zes!’

Ze keken omhoog en zagen twee prachtig ronde, donkere en natte neusgaten aankomen. Het varkentje snoof eens diep in en… ‘Grrorr, Grôkk? KNÒRRR!’ plotseling kon hij knorren als de beste! De andere varkens keken ervan op.

‘Hiep, Hiep, Hoera!’ riep hij daarna.

En daar keken ze nog meer van op, want dat hóórt eigenlijk niet bij een varken natuurlijk. Maar daar trok ons varkentje zich niks van aan. Hij was zó blij, hij danste op zijn krulstaartje de hele schuur door. Hij leek wel een stuiter-biggetje op een spring-veertje!

En ’s avonds kwam de boer. Hij zocht naar dat varkentje dat nooit knorde. Maar hij kon hem niet meer vinden. Ze knorden allemáál. Ze knorden hem de oren van het hoofd. Hoofdschuddend liep de boer toen de varkensschuur weer uit.

Ons varkentje vierde feest. Hij zou tóch een mooi groot, dik, roze varken worden! En onze Snurkjes vierden óók feest, want het was een héérlijke neus om in te wonen. En een prima neus om volop uit te Snurken.

Weet je wat eigenlijk wel grappig is? Als de varkens gaan slapen hoor je niks. Zij knorren alléén overdag. Maar dan knorren ze ook zó veel en vrolijk door dat de Snurkjes daarvan ’s avonds helemaal moe zijn geworden. En als de varkens gaan slapen rusten zij dus ook uit. ‘Morgen weer zo’n heerlijke Snurkdag,’ denken ze dan.

Dus als je papa of mama of jij, ’s nachts niet willen snurken...

... dan moet je dat vast overdag flink doen!