Sluiten

Sjappie Salamander


Dit verhaal gaat over een klein, glibberig waterdier. Een dier met vier pootjes en een lange staart. Een heel bijzondere staart. Een staart die hij zomaar los kan maken – wie weet hoe zo’n dier heet? Ja? Dat is een Salamander.

Onze salamander heet Sjappie. Sjappie is nog héél klein. Hij is nog erg jong. Sjappie is geboren onder water. Maar hij heeft z’n koppie ook al vaak boven water gestoken, want een salamander zwemt graag onder water, maar hij moet wel ademhalen boven water, want hij is een salamander en geen visje.

Sjappie heeft een neef, dat is een Hagedis.

Die ziet er bijna net zo uit als een Salamander, maar hij houd juist niet van water. Hij leeft in het gras en ligt graag op een steen te bakken in de zonnestralen.

‘Jij bent idioot bezig daar onder water,’ zegt zijn neef de Hagedis altijd. ‘Jij moet hogerop! Je moet omhóóg streven in het leven. Altijd maar omhóóg!’ En dan springt zijn neef bijvoorbeeld tegen een boomstam op – en glijdt ‘ie even hard weer naar beneden.

Sjappie lijkt het onzin om altijd maar omhoog te willen. Hij schudt z’n kopje en zwemt weer naar beneden in het water. Daar zijn ook z’n vriendjes. Gerrit Gup is bijvoorbeeld een vriendje van hem. En Bertus Baars. Bertus is echt heel groot, wel 10 keer zo groot als Sjappie. En Gerrit Gup is juist heel klein, wel 10 keer zo klein als Sjappie. Maar het zijn tóch z’n vriendjes. Ze vinden het alle drie heerlijk in het water: je kunt er geweldig spelen!

Maar er zitten niet alleen vriendjes onder water. Er zijn daar ook vijanden. Bijvoorbeeld de oude mijnheer Snoek. Die is geváárlijk, want hij is nóg groter dan Bertus Baars, heeft een geweldige bek vol scherpe tanden en hij eet graag alles wat hij onder water langs ziet zwemmen!

Gelukkig is de oude mijnheer Snoek erg bijziend. Hij ziet maar een heel klein beetje meer en als iets inde buurt zwemt dan roept hij: ‘Wat zwemt daar?’ Omdat hij wil weten of het eetbaar is en of ’t een beetje lekker is, natuurlijk.

Sjappie en z’n vriendjes weten dat precies, dus als ze even niet voldoende uit de buurt van mijnheer Snoek blijven en hij merkt iets en hij roept: ‘Wat zwemt daar?’ dan roepen terug, ‘Ik ben Simon Slak!’ Want mijnheer Snoek vindt waterslakken vies en dat weten ze.

‘Bah!,’ moppert mijnheer Snoek dan. ‘Zwem jij gauw door, ik wacht wel op een lekkere salamander of een gupje ofzo.’ En dan zwemmen Sjappie en z’n vrienden maar weer gauw een voorzichtig eind verder op.

Op zekere dag ontdekt Sjappie een grote klodder glimmende bolletjes onder water. Het lijkt wel een dikke tros parels en het glimt in het licht dat door het water strijkt. Sjappie zwemt nieuwsgierig wat dichterbij en toen hij eens goed keek zag hij dat er binnen in elk bolletje iets wiebelde! Daar friemelt wat. Daar frutselt iets!

Sjappie vindt dit zo wonderlijk dat hij elke dag even gaat kijken. En elke dag friemelt het weer harder. Tot hij op een keer ziet dat veel parels stuk zijn gegaan. Meteen ontmoet hij een klein, dik, gek, zwart minivisje. Het lijkt wel een zwarte kraal. Maar het heeft ook een heel lang, dun slingerstaartje. Dáárin lijkt hij wel wat op Sjappie.

‘Hallo kleine friemelaar,’ zegt Sjappie. ‘Ik ben Sjappie Salamander. Wie ben jij?’

‘Hmmm,’ antwoordt een klein stemmetje. ‘Mmmm!’ en het kleine lijfje schudt heen en weer.

‘Die kleine dreumes praat vast nog niet,’ denkt Sjappie en zwemt weg.

De volgende dag gaat hij er weer naartoe. Nu is het gekke beestje al twee keer zo groot geworden als gisteren. Nog steeds kogelrond én met een lange slingerstaart, ook twee keer zo groot.

‘Dùh!’ zegt het beestje nu met een piepklein stemmetje. Zó’n klein geluidje dat Sjappie het niet kan verstaan, hoe hij z’n best ook doet.

De volgende dag is het kogelvormige visje alweer wat groter. En nu kan Sjappie ‘m wel verstaan!

‘Dirk!’ zegt het beestje. ‘Dirkie Donderkop, zó heet ik.’

Sjappie vraagt hem honderd uit. Wat hij voor een beestje is en waar hij vandaan komt en of in die andere parels ook allemaal Dirkies Donderkop hebben gezeten… Maar Dirkie weet er niet zoveel van.

‘Ik ben er net,’ zegt hij, ‘laat me nou eerst wat groter groeien dan zal ik er wel over nadenken of naar vragen of ik kom er vanzelf achter.’

Sjappie haalt z’n schouders op. Ja, dat kán als je voorpootjes hebt, hè. Wij kunnen schouders ophalen en salamanders ook. Maar Donderkopjes niet. Want als je kogelrond bent, dan héb je geen schouders…

Drie dagen later is Dirkie al bijna zo groot als Sjappies neus. Een week later is Dirkie niet alleen verder aan ’t groeien, hij verandert ook. Eerst is hij alleen maar een bolletje met een staart. Toen werd hij langzaam een langwerpig bolletje met een staart. Daarna een langwerpig bolletje met twee achterpootjes en een staart. En toen een langwerpig bolletje met achterpootjes én voorpootjes én bolle ogen bovenop een rond en breed kopje én ook een staart.

Sjappie vindt dat Dirkie zo een heleboel op een klein salamandertje begint te lijken.

Aan de zijkant tenminste. Want van voren… van voren lijkt Dirkie nog het meest op een, eh, een ronde schelp ofzo. Sjappie vindt Dirkie van voren maar een mal beest. Maar dat zegt hij niet tegen Dirkie, want hij heeft wel veel plezier met hem. Dirkie heeft veel fantasie: hij verzint steeds leuke zwem-spelletje. Of verstop-spelletjes.

Een paar weken later zijn Sjappie en Dirkie alweer bijna volwassen, want dat gaat heel snel met waterdieren. Sjappie is nu een salamander van wel vijftien centimeter van neus tot staart. Dirkie is nog groter gegroeid dan Sjappie. Hij is wel iets korter dan Sjappie, maar veel hoger en ook dikker. En hij is in de weken daarvoor zomaar z’n staart kwijtgeraakt! Sjappie was daarvan geschrokken, maar Dirkie niet. ‘Dat hoort zeker zo,’ zei hij, ‘want ik voelde er niks van. Toen ik eens achteromkeek was hij zomaar verdwenen.’

Ze wisten nu ook wat Dirkie was: hij is een kikker! Maar ook al wordt Dirkie nog steeds groter, ze blijven goed bevriend.

Dat is wel wat lastiger dan eerst, want Dirkie krijgt trekken van Sjappie’s neef, de hagedis. Hij wil steeds vaker hogerop, het water uit, het land op. En als hij daar dan is, dan wil hij nóg hogerop en dan slaat hij zijn enorme achterpoten flink uit en springt hij met een wijde boog steeds hoger de lucht in. En hij verteld Sjappie verhalen over hoe het is daarboven. Op de kant. En in de lucht. Wat er mooi aan is, wat je ziet en hoe het ruikt. En waar je op moet letten - omdat het er ook gevaarlijk kan zijn. Enzovoort.

‘Kom toch ook hogerop, kom toch mee naar boven,’ roept Dirkie steeds vaker tegen Sjappie.

Maar Sjappie wil niet. Eerst helemaal niet. Daarna liever niet. Maar tenslotte begint hij te aarzelen: misschien is het toch wel de moeite waard om eens boven rond te kijken. En als hij Dirkie er nou een plezier mee doet…

‘Vooruit dan maar,’ zegt Sjappie dus als Dirkie hem weer eens vraagt of hij mee gaat naar boven. En voorzichtig klimt hij tegen de kant op, tot zóver is hij al wel eens geweest.

‘Even verderop kijken!’ zegt Dirkie nu en ZZoep – weg is Dirk. Geen Dirk. Nérgens een Dirk. Tot Sjappie een enorme plof hoort, één waarvan hij bijna weer terug in het water tuimelt. Dan zit Dirk weer naast hem, iets hogerop in het gras.

Ze gaan nu een klein stukje verder het weiland op. En Sjappie vind dat hij al héél ver van het water af is. Maar Dirkie zegt dat ze pas twee kikkerstappen onderweg zijn en dat ze écht nog verderop moeten kijken. Dat klopt misschien wel, maar kikker-stappen zijn wel véél groter als salamanderstappen, denkt Sjappie, maar hij gaat toch mee naar verderop.

Plotseling zien ze iets engs staan. Het staat stokstijf, is heel hoog en zwart-wit en het staat op oranje benen. Dirkie duikt in elkaar en fluistert dat het een ooievaar is en dat die het állergevaarlijkste is wat er op de wereld rondloopt! In elk geval voor kikkers, want ooievaars vinden kikkers heel erg lekker.

‘Misschien vinden ze salamanders ook wel lekker,’ fluistert Dirkie. ‘We kunnen daar echt niet langs!’

Dat zullen we nog wel eens zien, denkt Sjappie, want hij is wel een heel eigenwijze salamander.

‘Wat lusten ooievaars eigenlijk helemaal niet, waar kijken ze nooit naar om?’ vraagt hij daarom aan Dirkie. Die weet het niet zo goed.

‘Eh, misschien bakstenen?’ bedenkt hij.

‘Ja, wij kunnen niet net doen of we bakstenen zijn,’ zegt Sjappie. ’Daar trapt hij nooit in en bakstenen bewegen ook niet.’

‘Grassprieten dan, die lusten ooievaars ook niet,’ probeert Dirkie nu.

‘Jij bent veel te dik voor een grasspriet,’ zegt Sjappie.

‘Eh, tákjes dan?’

‘Takjes lopen niet!’

‘Eh, vogels dan?’

‘Vogels? Wat zijn dat?’ wil Sjappie weten. Want dat weet je natuurlijk niet als je altijd in het water woont.

‘Vogels, dat zijn beesten met veertjes!’ Dirkie is trots dat hij al zoveel meer weet dan zijn vriend de Salamander.

‘Veertjes? Wat zijn dat nou weer?’ vraagt Sjappie weer.

‘Déze dingen,’ zegt Dirk, want vlakbij liggen er allemaal veertjes en pluizen, zomaar in het gras. Die veertjes waren wel van allerlei soorten vogels: van mussen en van duiven – en van nog meer andere vogels. Maar dat weten Dirkie en Sjappie natuurlijk niet.

Sjappie ruikt eens aan zo’n veertje. Het is een licht, wat kleverig ding. Dat komt natuurlijk ook doordat salamanders en kikkers altijd een vochtig velletje hebben, dus dan plakt zo’n pluizig veertje zomaar aan dat natte velletje vast.

‘Liggen en róllen!’ zegt Sjap, want hij heeft een goed idee. Hij rolt zich om en om door de veertjes heen en Dirkie doet hem na. En toen ze weer overeind kwamen… zagen ze eruit als vréselijk mislukte vogeltjes!

De veertjes aan de voorkant steken naar voren. En die aan de achterkant wijzen naar achteren. Je kunt bij deze ‘vogeltjes’ dus niet eens zien waar kop of kont zitten. Toch vindt Dirk het al prachtig – in deze verpakking is hij al minder bang voor die ooievaar verderop.

‘Zie ik er al uit als een vogeltje? Wacht, ik vlieg even!’ roept Dirk en tsjoep daar springt hij hoog de lucht in. En… plofff, daar kwakt hij alweer neer naast Sjappie, die van schrik opzij springt.

Hij kijkt eens goed naar Dirkie en zegt: ‘Ik weet niet of je er wel helemaal uitziet als een vogel, maar ik denk niet dat een vogel zo wild zal springen.’

‘Dat is wel weer waar,’ zegt Dirk en hij krijgt een rood hoofd. En dat is echt een heel raar gezicht: een rood hoofd op een groene kikker met veertjes.

‘Dus zo zien vogels er ongeveer uit,’ zegt Sjappie nu, ‘maar hoe klinken vogels eigenlijk?’

Nu is ’t niet makkelijk om met een brede kikkerbek het geluid van een vogel te maken, maar Dirk doet ontzettend zijn best. ‘Tsjiep, KWAAK, eh, ik bedoel: Tsjiep! Tsjiep!’ zegt hij. ‘Vogels doen Tsjiep, Tsjiep!’

‘Dan moeten wij ook zó praten,’ gaat Sjappie door, ’en gewoon langswandelen. Denk erom: NIET springen! Gewoon langswandelen.’

‘L–L-Langs de Ooievaar?’ bibbert Dirkie.

‘Ja!’ zegt Sjap. ‘We lopen gewoon langs de Ooievaar en zeggen een paar keer Tsjiep!’ Dus niet aarzelen: gewoon erlangs lopen met al die veertjes op ons vel.’

En zo gebeurt het.

Ze komen vlak langs de twee enorme oranje stelten. ‘Dat zijn z’n poten,’ fluistert Dirkie heel zachtjes en hardop zegt hij: ’Tsjiep!’

Sjappie kijkt omhoog. Heel hoog boven hem ziet hij iets enorm pluizigs in zwart/wit. En daar weer boven iets scherps, net zo oranje als de poten van de Ooievaar.

‘Dat is z’n snavel,’ fluistert Dirkie zenuwachtig: ’Daar kan hij ons in één beweging zomaar mee oppikken!’

Sjappie wordt nu toch ook wel wat zenuwachtig, dus roept hij ook maar een keer: ’Tsjiep!’

De Ooievaar draait zijn kop naar beneden en kijkt. Hij ziet in het gras een paar hele rare pluisbeesten langs schuifelen. Aan de veren te zien zijn het ook vogels, net als hij. Maar dan niet alleen veel kleiner, maar ook veel gekker: ze zien er niet uit, vindt hij. Hij ziet in elk geval niet iets lekkers. Integendeel: hij vindt het maar een onsmakelijk gezicht! Dus draait hij hooghartig z’n kop om en steetk z’n snavel in de lucht.

Sjappie en Dirk zien dat tot hun opluchting en gaan vlug verder. Gelukkig, ze zijn er langs!

Ze zijn al een flink stuk verder gekomen als er opeens een stem vlakbij klinkt: ‘Hé daar! Wie zijn jullie? Wat zijn jullie voor vreemde vogels?’

Ze kijken omhoog, want daar kwomt de stem vandaan. Boven hen zit een pluizig geval. Een grote bol veren, zo van onderaf gezien. Op een tak van een struik. Dat moet een échte vogel zijn! Hij kijkt hen met heldere kraaloogjes nieuwsgierig aan.

‘Ik,’ zegt Dirkie, die weer veel meer durft nu die Ooievaar niet meer dichtbij staat: ‘Ik ben een Kikker!’

‘Dan,’ zegt de vogel, ’ben jij een hele vreemde kikker. De eerste kikker die ik zie met veren.’

Dirkie kijkt naar zijn rare vel-vol-pluis. ‘Da’s waar,’ zegt hij, ‘Wacht maar even!’

Hij neemt een enorme sprong opzij naar de sloot en PLOEP - gaat daar kopje onder. Díe veren zijn er af, denkt Sjappie en hij rent ook gauw de sloot in. Even later keuvelen ze verder met de vogel.

‘Ik ben een Duif,’ zei de vogel, ’Een Koerduif om precies te zijn. En jullie zijn waterdieren. Maar jullie lopen in het gras, zie ik. Wat zijn jullie aan ’t doen?’

‘Wij willen hogerop!’ antwoord Dirkie, ‘En dat zijn we nu ook. Hogerop. Want wij waren eerst beneden en nou zijn we boven.’

‘Nee hoor, dat zie je verkeerd,’ roept de Duif grinnikend, ‘Dit is hier beneden. Bóven is daar.’ En hij wijst recht omhoog de lucht in.

‘Nóg hoger?,’ zegt Dirk: ‘Nou dáár ben ik ook wel eens geweest. Kijk maar!’

En TJOEP hij neemt een enorme sprong de lucht in. Ja, kikkers kunnen geweldig springen! PLOF! Daar is hij weer terug.

De vogel schatert. ‘Tja,’ zegt hij, als hij is uitgelachen. ‘Het is wel hogerop, maar dan een heel klein stukje. En je bent er ook maar héél even. Voordat je boven bent, ben je eigenlijk alweer beneden. Ik geloof niet dat je zo echt leert wat boven is. Als je dat wilt weten, dan moet ik je toch even helpen.’

Na veel heen en weer gepraat, waarbij Sjappie vaak tegensputtert, komen ze dan toch overeen dat Sjappie en Dirkie bij de Duif op z’n rug zullen gaan zitten – en dat ze zich daar goed moeten vasthouden. Aan zijn veren. Gelukkig zitten deze veren wel goed vast. Ze zullen dan écht hogerop komen heeft de duif hen beloofd.

Als ze goed en wel zitten, schrikken ze geweldig. De vogel wordt plotseling vier of vijf keer zo breed! Hij blijkt enorme vlerken te hebben opzij en hij wappert daar steeds harder mee. De lucht waait hun langs hun oren en…

Plotseling is er geen beneden meer. Als je omlaag kijkt word je duizelig. Geen grasspriet meer te zien om hen heen. En ook boven ze is niks.

Sjappie en Dirkie knijpen van schrik hun ogen stijf dicht en houden zich stevig vast.

Heel plotseling is het weer rustig om ze heen.

‘Stap maar af,’ zegt de vogel die z’n vleugels weer heeft ingevouwen en Sjappie en Dirkie doen hun ogen voorzichtig weer open - en dan direct weer dicht. Ze zitten met de vogel op een heel smalle tak en de grond is wel héél erg ver beneden hen.

‘Dit,’ zegt de duif,’ is ongeveer halverwege boven. Want het kan nog veel hoger natuurlijk. Maar het is al wel heel wat meer boven dan waar jullie net waren. Dat was eigenlijk nog beneden. Kijk maar, hier vandaan kun je beneden nog goed zien. Maar je kunt ook zó ver naar boven, dat je beneden haast niks meer kunt zien!’

Sjappie doet nu voorzichtig zijn ogen weer open en kijkt eens naar beneden. Dan zucht hij diep en zegt dan heel slim: ‘Maar dat daar beneden is eigenlijk ook maar halverwege beneden, als ik er over nadenk’.

‘Oh ja?’ vraagt de vogel nieuwsgierig: ‘Is er dan nog iets lagers dan daar beneden?’

‘Nou en of!’ roepen Dirkie en Sjappie tegelijk en ze beginnen de duif uit te leggen dat je ook nog ónder water kan en dat dat diep kan zijn. Dat je dan dus nog veel lager kunt dan het gras. En hoe mooi het onder water is. En wat daar allemaal dan ook weer groeit.

Maar het lijkt de vogel allemaal niks. Water? Hooguit een slokje, vindt hij. Zwemmen? Hij moet er niet aan denken. En wassen doet hij eigenlijk liever met droog zand – want dat doen vogels zo.

Sjappie staat nu naast de vogel op de tak, maar Dirkie is stijf blijven zitten: hij durft met zijn grote flapvoeten niet zo goed zelf op die hoge tak te gaan staan, maar Sjappie helpt Dirk nu toch voorzichtig van de vogel af.

‘Goed,’ zegt de Duif dan plotseling als Dirkie van z’n rug af is. ‘Jullie wilden hogerop en ik heb jullie hogerop gebracht; ik ga dus maar weer eens verder. Veel plezier ermee!’ En voordat Sjappie of Dirkie kunnen reageren vliegt hij al weg.

Kleurplaat

Daar zitten ze dan. Een kikker en een salamander. Hoog op een boomtak. Bibberig kijken ze naar beneden. Daar is de sloot. Wel onder ze – maar zo díep onder ze…

Plotseling heeft Dirkie genoeg van het ‘hogerop willen zijn’. Hij wil hier helemaal niet meer zijn. In elk geval niet hier blijven. Dáár wil hij zijn. Daar beneden. In dat heerlijk water onder hem!

Sjappie denkt waarschijnlijk hetzelfde, want hij vraagt weer aan Dirkie: ‘Kun jij vliegen?’

‘Nee,’zegt Dirkie: ‘Ik kan alleen springen. Omhoogspringen kan ik. Maar ik vind het hier wel hoog genoeg. Veel te hoog, vind ik het hier eigenlijk!’

Sjappie denkt na. ‘Maar als je omhoog kunt springen,’ zegt hij even later, ‘dan kun je misschien ook wel naar benéden springen!’

‘Ik weet niet hoe… Ik spring eigenlijk altijd omhoog,’ aarzelt Dirkie, ‘maar ik ga daarna wel altijd vanzelf weer naar beneden.’

‘Dan spring je nu maar een heel klein eindje omhoog… en dan ga je vanzelf daarna vast het hele eind naar beneden,’ bedenkt Sjappie.

Dirkie kijkt eens naar beneden, hij wordt er duizelig van. Daarom doet hij gauw z’n ogen dicht. Dat geeft niks. Maar wat hij niet had moeten doen, dat is dat kleine stapje opzij om z’n evenwicht te bewaren. Want het is maar een smalle tak. Dus dat kleine stapje opzij komt al direct naast de tak uit. ZJWIEP deed Dirkies linker achterflap door de lucht en toen… tuimelde hij met een verschrikte KWááK! zomaar omlaag.

Sjappie kijkt ‘m verschrikt na en ziet Dirkie met een fikse PLONS! beneden hen onder water verdwijnen. Even is het stil en zie je alleen grote kringen in het water. Maar dan komt Dirk’s vrolijke kikkerkop plots uit het water steken.

‘Ik ben weer thuis!’ roept die kop: ’Het is hier heerlijk! Je moet ook naar beneden springen!’

Sjappie buigt zich over de rand van de tak om Dirkie goed te kunnen zien.

‘Ik ben een salamander. Ik kán helemaal niet springen!’ roept hij terug.

Maar Dirkie verstaat hem niet, Salamanders hebben tenslotte niet zo’n grote mond als kikkers.

‘Wát zeg je?’ schreeuwt hij dus omhoog naar Sjappie op de tak hoogboven hem.

En Sjappie buigt nog iets naar voren haalt diep adem om zo hard mogelijk te roepen en… glijdt uit!

AAAAHH!’ klinkt het geluid dat Dirkie snel dichterbij hoort komen en PLONS! daar is Sjappie weer bij hem in de sloot.

Ze hebben nu héél wat te vertellen. Aan de vissen. En aan hun familie. Over hogerop komen. En over hoe je ook als kikker langs een Ooievaar kunt komen. En over omhoog vliegen. En dat je in plaats van omhoog te springen ook omlaag kunt springen.

‘Dat heet vallen,’ bromt Dirkie’s oude oom Dorus, de oudste kikker uit de sloot. ‘Omlaag springen en vallen is gewoon hetzelfde.’

Daar denken Sjappie en Dirk over na. Er zit wel wat in, in elk geval kom je zo beneden. En daar willen ze graag zijn.

‘Ik hoef niet meer zo nodig hogerop,’ zegt Dirkie nu. ‘Da’s toch niks voor mij, je wordt er niet vrolijker van.’

Daar is Sjappie het helemaal mee eens. Voor hem hoefde het al nooit. Maar dan ziet hij dat Dirkie diep nadenkt en alweer op een nieuw avontuur zit te broeden.

‘Misschien wil ik wel dieper dóór,’ zegt Dirkie dan. En hij kijkt peinzend naar beneden. Naar het donkere water, nog ónder mijnheer Snoek. Daar waar het licht niet kan komen en waarvan niemand van boven uit de sloot iets afweet.

‘Misschien is dat echt iets voor mij: dieper door,’ zegt Dirkie.

‘Dan ga je maar mooi alleen!’ zegt Sjappie.

En hij zwemt gauw weg…

…want je weet maar nooit wat Dirkie zich nu weer in zijn kikkerkop gaat halen.