Sluiten

Lui, luier, allerluist!


Heb je 't al gemerkt? Het is weer lente geworden. Als het nu even niet regent - en het waaitniet zo erg - en de zon schijnt erbij ... dan kun je alweer zonder dikke jas buiten spelen of in de tuin zitten. Of in de zandbak spelen. Of op je rolschaatsen, rollerskates of skateboard gaan staan.

En je bent niet de enige die dan lekker buiten wilt spelen. Er zijn er veel meer die in de lente opnieuw druk gaan doen. Luister maar eens naar de vogels. Hoe die te keer gaan.En achter elkaar aanzitten. En nesten bouwen. En kijk ook eens naar al die tuinen. Hoe de bloembollen uitlopen. Achter elkaar nieuwe vrolijke kleuren. Eerst de gele narcissen. Dan de rode tulpen. En vergeet de bomen en struiken ook niet: echt alles schiet in bloei en blad.

En zelfs grote mensen bewegen weer wat meer naar buiten. Alsof ze vlotter worden. Nou en dan moet er heel wat gebeuren, dat weet jij wel. Want grote mensen, die hangen het liefst in luie stoelen rond en roepen van daar uit dingen als ‘Zeg, kun je niet even rustig zijn?’ of ‘Maak eens niet zo'n herrie ...’

Grote mensen bewegen gewoon niet zo graag als kinderen. Ik denk dat je met het ouder worden steeds slomer wordt. Of gewoon lui natuurlijk.

Toch zijn zelfsgrote mensen nog niet het allerluist. Weet je wie er nog luier zijn? Nog ouder en nog stijver? Wie nóg minder van beweging houden?

Kabouters! En dan speciaal de tuinkabouters! Díe zijn echt het allerluist!

Ik weet het niet van allemaal natuurlijk, ik ken er maar een paar. Die wonen in de buurt hiernaast. Zoek ze maar eens op. Er staan er een paar in een tuin waar ik wel langskom als ik naar de supermarkt ga.

Krelis Kuch staat links - hij kijkt een beetje zo schuin naar de kruising verderop. ‘Omdat daar de zon opkomt,’ zegt hij en dan klemt hij z'n eeuwige pijp stevig tussen z'n tanden.

Ferdinand Forelstaat rechts: hij kijkt wat meer richting de buurtuin. ‘Omdat daar de zon ondergaat,’ bromt hij en hij houdt zijn heel lang geleden gevangen vis nog steeds stevig vast. Krelis en Ferdinand houden niet van bewegen! Zelfs niet in de lente.

‘Zien jullie dan niet hoe mooi alles weer groen is en hoe blij de kinderen spelen en hoe de vogels in de weer zijn?’ vroeg ik ze eerder al eens.

‘Jawel, dat is ook allemaal wel aardig - maar het is niet het allermooiste,’ mompelde Krelis toen terug, ‘het allermooist is het toch gewoon als de zon opkomt.’

‘Niet waar! Het allermooist is als de zon rood-goud onder gaat,’ bromde Ferdinand er meteen tegenin, ‘en daarvoor sta ik hier precies goed!’

‘Ik hier ook,’stemde Krelis in.

‘Maar wordt je dan niet vreselijk stijf als je altijd maar zo blijft staan?’ riep ik weer.

‘Natuurlijk.. Nou en? Juist lekker! Dan word je ook niet moe ...’ mompelden Krelis en Ferdinand daarop precies tegelijk.

Ik zuchtte. En probeerde het nog één keer: ‘Kijk dan toch eens naar die goudglimmende weerhaan daar op de kerktoren in de verte,’ zei ik, ‘hoe die vrolijk in de rondte draait en alle kanten op kijkt!’

‘Poeh, die uitslover,’ ging Krelis er tegenin. ‘Bah, die waait met alle winden mee,’ vulde Ferdinand hem mopperig aan. Nee er is niks mee te beginnen, met tuinkabouters.

Ze zijn nergens toe te bewegen.

Ze zijn gewoon zo vreselijk lui.

Nog luier kan echt niet!

Ze zijn het allerluist.