Sluiten

Ladderaars & fladderaars


Op een ochtend in het voorjaar kwamen er bij ons in de straat steeds meer ladders te staan. Ze kwamen mee bovenop busjes. In die busjes zaten mannen met een pet op en emmers met kwasten en verf. Ze kwamen voordeuren en houtwerk rondom de ramen schilderen. En dakranden. Ze moesten soms dus heel hoog die ladders op.

Die dakranden werden roomwit en de voordeuren soms groen en dan weer rood. Maar niet alleen de voordeuren werden rood. Ook Ma Mus werd plotseling heel erg rood…

Want zij keek ’s morgens gewoon uit haar nest holletje – toen er plotseling, vlak voor haar, een heel groot mensengezicht op dook. Een mensenhoofd met een pet erop.

Van schrik tuimelde Ma Mus zomaar achterover! (De schilder gelukkig niet!) “Een mens. Er staat een mens vlak voor ons nest”, riep Ma Mus verschrikt tegen haar nestgenoten. Die geloofden er eerst niks van. Ze praten allemaal door elkaar, natuurlijk, want dat doen mussen bijna altijd. Luister maar eens naar ze als je er een paar bij elkaar ziet!

“Dat kan helemaal niet, wij wonen heel hoog.” “Mensen zijn toch niet zo lang.” “Hier kun je alleen maar komen als je kunt vliegen en dat kunnen mensen niet.” “Welnee: mensen horen beneden: op straat of in de tuin.” “Ha, onze dakgoot is wel 6 meter boven de grond.” Zo riepen ze. En dat is waar. Want, net zoals heel veel mussen, woonden ze gezellig bij elkaar in nestjes onder de eerste rij dakpannen, vlak boven de regengoot. Lekker in een wind-vrij holletje wat ze hebben uitgepikt uit het isolatieschuim dat daar zit. Dus ook nog goed-geïsoleerd: warm in de winter en koel in de zomer. Heel modern eigenlijk!

Vanuit dat holletje zie je als mus weleens een buurmusje zitten of zelfs een spreeuw of nog een andere fladderaar. Maar nooit zomaar een mens. Die zijn helemaal beneden. Ze komen bijvoorbeeld langs rinkelen op de fiets. Of wandelen beneden op de stoep. Als musje zie je ons mensen dus bijna altijd van boven. Bovenop ons hoofd. Daar zijn mussen aan gewend. Maar aan een groot mensenhoofd pal voor hun nestje natuurlijk niet. Daarom schrok Ma Mus ook zo. Maar je bent een mus of je bent het niet: en mussen zijn ook érg nieuwsgierig! Dus even later keken er wel tien mussen-kraaloogjes uit vijf mussen kopjes voorzichtig over de dakgootrand naar beneden:

“Kijk, die mens heeft een hele rij klim-houtjes neergezet.” “Dat heet een ladder.” “Waar is dat voor?” “Ik denk dat hij wil leren vliegen.” “Maar hij heeft helemaal geen vleugels?” “Toch wil hij omhoog: kijk daar komt hij weer…” “Wel langzaam hè, dat kunnen wij veel beter.” “Ja maar zo’n mens heeft vier pootjes, zie je wel. Dat is ook wel weer makkelijk.” “Dat is waar, kijk maar eens wat hij allemaal meeneemt.” “Wat doet ‘ie nu?” “Oh, kijk wat mooi: nieuwe kleuren op het huis!”

Ademloos kijken de vijf musjes toe, terwijl de schilder het hout in nieuwe, frisse kleuren verft. Ze vinden het resultaat prachtig. “Dat wordt heel mooi”, zegt Ma Mus, “Zo lijkt het direct al wel zomer. Net als de bomen, het gras en de bloemen, hè – alles fris en nieuw.” Dan knijpt ze haar oogjes dicht en denkt even heel diep na. Ze krijgt een idee… “Wacht, die mensen hebben gelijk. Dat gaan wij ook doen” roept ze. En rrrrrrrrrt! Weg is ze.

Even later komt ze terug met een prachtig donkergroen blad van de laurierstruik uit de voortuin van drie huizen verderop. “Dit is onze nieuwe voordeur”, hijgt Ma Mus en ze duwt het blad voor de ingang van het nestholletje. “En dit is onze nieuwe tussendeur”, zegt ze als ze even later met een lichtgroen blad terug is. Dat blad heeft ook nog een mooi geel randje. “Dan heet dit stukje er tussen voortaan onze hal”, besluit ze, “zo’n hal is heel goed tegen de tocht.”

Je merkt wel dat die Ma Mus goed oplet wat anderen zoal doen. En daar ook heel wat van leert. Ja, laat die Ma Mus maar schuiven – die is eerder in dit verhaaltje dan wel van schrik even achteruit getuimeld, maar ze is toch bepaald ‘niet op haar achterhoofd gevallen’ zoals wij dan zeggen!

Maar ja, dat is dan weer niet zo’n kunst hè - als je kunt vliegen!