Sluiten

Fluitekruid


Het begint zo begin april weer volop te groeien. Vooral in wegbermen en aan slootkanten. Het fluitekruid. In grote schermen met een heleboel kleine bloemetjes erin op hele hoge stelen. Mooi lichtgroen met witte accenten en een beetje raar –en sterk- ruikend. Eind april en begin mei staat het er vól mee, let daar maar eens op! Als je nog geen vijf jaar bent is het fluitenkruid soms zelfs groter dan jij. Dan kun je er van onder af tegen aan kijken!

Veel insecten zijn er dol op. Maar ik ook. Want ik houd van het voorjaar en van wilde bloemen, die zomaar overal op komen en je laten zien hoe mooi de wereld wel niet is! Ik ben ook een heel klein beetje nieuwsgierig - misschien zelfs wel meer dan een heel klein beetje. Jij ook, hoop ik. Want wie niet nieuwsgierig is, die wordt geen sikkepit wijzer. Eigenlijk alleen maar eigenwijzer. En dat is helemaal geen kunst, want mensen worden vaak vanzelf net zoveel eigenwijzer als dat ze ouder worden. Ga je papa en mama en alle andere grote mensen maar na: wie is er nou eigenwijzer dan zij?!

Maar goed, nou dat fluitekruid, hè. Waarom heet dat eigenlijk zo? Ik wist het niet. En daar kan ik niet zo goed tegen, hè, als ik iets niet weet. Dus ging ik op onderzoek uit naar een slootkant dichtbij. En daar stond ik toen: naar dat fluitekruid te kijken. Ik schoot er niks mee op. Het fluitekruid stond daar maar wat in de wind te zwaaien. Verder niks. Toen heb ik het ze maar even voorgedaan en een wijsje gefloten. Wat denk je? – nog steeds niks! Ik had natuurlijk gehoopt dat dat kruid terug zou fluiten. Maar niks hoor: geen fluit te horen. Er was gewoon geen fluit aan … Dus ik weer naar huis.

“En ’t kan me geen fluit schelen ook”, zei ik mokkend op m’n fietsje tegen mezelf.

Maar ja, je bent nieuwsgierig of je bent ’t niet, hè – en ik ben eigenlijk toch wel een beetje … Nou ja, dat weet je al. Dus ben ik op een mooie avond nog maar eens terug gegaan naar dat kruid. Met een echte fluit bij me. Een hele serie fluiten zelfs: een padvindersfluit (ken je die – dat is een glimmend staafje met een kneepje er in) en een scheidsrechters fluitje (een ronde met zo’n balletje er in), een blokfluit - en zelfs een panfluit (je weet wel: een rijtje bamboefluitjes die steeds langer worden naast elkaar). Maar al dat voorfluiten hielp mooi niks. Alleen mijn oren gingen er van fluiten, maar niet het fluitekruid.

Nu stond daar ook een paaltje in de berm met een verkeersbord er aan. Daar ging ik tegenaan zitten. In het gras. En een beetje nijdig. Omdat dat - verrekte - fluitekruid niet fluiten wou. Terwijl ik daar zo zat fluisterde plotseling de wind door het kruid. Die fluisterde ook in mijn oor. En toen ik heel goed luisterde, hoorde ik dit: alle grote stelen en bloemenschermen om mij heen fluisterden uitbundig met de wind mee!

Eerst leek het alleen maar geruis, maar toen ik érg goed en ook wat langer luisterde leek het alsof ik het gefluister echt kon verstaan: “Je bent een sufferd”, fluisterde het kruid, “alle mensen zijn sufferds. Ze hebben het verkeerd begrepen: wij fluiten niet – wij fluisteren. En dan nog alleen als het zachtjes waait.” …

Toen snapte ik het: dom van ons natuurlijk! Dat prachtige kruid moet niet fluitekruid heten, maar FLUISTERKRUID. Als je me niet geloofd, ga je zelf maar luisteren. Ze willen het jou ook vast nog wel een keertje uitleggen. Doen hoor!

Als je het eenmaal weet, is het gemakkelijk. Het fluistert, dat kruid. Gewoon met de wind mee.

Geen fluit aan dus!