Sluiten

Een hoog huizend heer


Een paar dagen geleden zat ik weer eens aan de waterkant. Dat mag ik graag doen. Op een droog, grassig plekje zitten met mijn rug tegen een boom en dan uitkijken over een stukje water. Een sloot of een vijver of een prachtige plas ergens buiten de stad.

Vandaag had ik een lekker eindje gefietst langs een oude trekvaart. Dat is een brede sloot waarover meer dan honderd jaar geleden nog gevaren werd. Met platte schuiten brachten de boeren toen hun melk in grote bussen naar een melkfabriek. Elke dag. Dat gebeurt nu al lang met grote tankauto’s natuurlijk, maar veel van die vaarten liggen er nog. Laat je er maar eens één aanwijzen!

Langs déze vaart lag een fijn fietspad en ik zat nu bij een mooie plas die tegen een dorpje aan lag. De huizen waren aan de andere kant tot vlak bij het water gebouwd en zagen er vrolijk uit, zo in het voorjaarszonnetje. Ik keek er tevreden naar en stak een grassprietje in mijn mond.

Naast me lagen een paar mooie, witte kiezelsteentjes. Na een tijdje voor me uit te hebben zitten dromen pakte ik er eentje op en keilde die met een boogje naar het water. Een verre plons vertelde me dat hij een heel eind was gekomen, dat steentje. Ik gooide er nog één achteraan, keek naast me voor een volgende kiezel en schrok toen op! Want achter me raasde plotseling een brommer over het fietspad. Met flinke snelheid, eel lawaai en nog meer stank! Ik trok nog wat geschrokken mijn neus op en mopperde hardop zoiets als: ‘Bah, mensen hebben soms rare gewoontes.’

‘Mensen? Dat is nog niks vergeleken bij sommige eenden, die hebben pas rare gewoontes, meneer! En zou u voortaan zo vriendelijk willen zijn mij wel ruim te missen, als u weer met steentjes, gooit? Alvast bedankt, hoor!’, klonk een wat rauw kwakende stem plots recht voor me omhoog. En meteen daarop hopte er een stevige mannetjes eend de kant op.

Hij schudde de vochtige veren uit, wreef met z’n kop even krachtig over een schouder en vervolgde, ‘Maar het is wel een érg rare gewoonte van sommige mensen om een niets vermoedende eend, die hier gewoon maar wat rondzwemt zomaar een kiezelsteentje naar z’n kop te gooien, natuurlijk!’ en hij keek mij recht aan. ‘Even niet goed opgelet, zeker?’

Nu weet ik natuurlijk niet hoe ’t met jou zit, maar ik kom niet elke dag een eend tegen die tegen me begint te praten. En al helemaal niet eentje die me ook nog eens bestraffend toespreekt. Dus normaal ben ik niet op mijn mondje gevallen, maar nu zat ik daar stokstijf en stomverbaasd. Met mijn hele mond vol tanden. Verder dan een hakkelend ‘Eh, sorry hoor’ bracht ik het eerst niet.

Hij keek me een tijdlang strak in de ogen en ging toen onverdroten door: ‘Ik kan toch moeilijk gaan zwemmen met een bouwhelmpje op mijn kop, nietwaar?’

Ik haalde diep adem. ‘Eh, neem me asjeblieft niet kwalijk, stamelde ik daarna, terwijl ik een kleur kreeg, ‘het ging per ongeluk.’

‘Ja, ja, en ik schrók me dat ongeluk!, kwaakte de eend heel ad-rem terug. ‘Maar ik hoorde ik je eerder, na die stinkfiets, niet zeggen dat mensen er soms rare gewoontes op na houden? Nou, daar weet ik van alles van. Toch moet ik er ook bij zeggen dat eenden soms nog veel gekker doen!’ Hij knikte er nadrukkelijk bij en stak z’n snavel omhoog alsof hij daarmee zeggen wilde: zo, die zit!

Gekkigheid niet alleen bij mensen, maar ook bij eenden? Dat maakte me natuurlijk flink nieuwsgierig. Daar wilde ik meer van weten. Daarom vroeg ik: ‘Eenden? Hoe zo dan…’

‘Kijk maar eens naar dat huis daar aan de overkant, de tweede van links, zie je het?’ antwoordde hij en hij trok daarbij één wenkbrauw vragend omhoog. Ik wist niet eens dat eenden dat konden, jij wel?

‘Nee, hóger kijken,’ ging mijnheer de eend verder,’ tegen de gevel daar, boven op de schutting, net onder dat halfopen badkamerraam!’

Toen pas zag ik het. Daar zat een eenden mand. Meestal staan die op een balkje net boven het water of ze zitten laag op de beschoeiing bevestigd. Maar deze niet. Die zat flink hoog tegen de gevel. Bovenop de schutting en met de achterkant tegen de muur gemonteerd.

‘Daar woont mijn oom’, kwaakte mijn eend nu verder, en een verbéélding dat die heeft! Hij toetert voortdurend hoog van de toren over zijn deftigheid. Hij zegt dat dit slechts één van zijn “optrekjes” is. Ik bekijk de dingen graag van bovenaf, neef, zegt ‘ie dan: ik ben een Hoog Huizend Heer! Zo praat mijn oom. Wat een poeha! En weet je wat nog erger is, en ook heel on-eends: hij beweert dat een vliegende eend niet elegant is. Dat is niet mijn stijl, neef, zegt hij dan heel bekakt: naar dit optrekje neem ik bijvoorbeeld liever de trap!

Ik moet hem wel heel erg ongelovig hebben gekeken, want de eend hief nu zijn snavel nóg hoger op en zei: ’Kijk dan maar eens achter die middelste struik daar.’

Ik wandelde een klein stukje naar links, keek nog eens goed van daar af en verdorie, daar stond inderdaad een ladder tegen die schutting!

‘Wat ik je al zei’, sprak mijn mijnheer de Woerd, ‘een Poeha..!’ en daarmee draaide hij zich om, sprong met een lichte plons te water en zwom statig weg - de snavel nóg eigenwijzer omhoog.

Hij is net als z’n oom, dacht ik nog. Maar ik hield me muisstil. Want hij was dan misschien geen Hoog Huizend Heer, maar hij had het volgens mij wel net zo hoog in z’n bol! En hij trok ook heel gemakkelijk een flinke snater stevig open. Ik ben dus maar gauw stilletjes doorgefietst …