Sluiten

Een grijsgroene waddenwatersliert


Dit verhaal begint bij Joris. Kèn je Joris misschien? Hij woont helemaal bovenin ons landje, aan de Waddenzee, vlakbij de dijk daar. ‘Joris Waddenraper’ noemden de mensen hem ook wel. Dat komt omdat Joris zo graag langs de dijk zwerft. Het állerliefst loopt hij, als hij uit school komt, meteen maar over de dijk naar huis! En als hij dan vlakbij zijn huis weer van die dijk af moet, dan kijkt hij altijd nog een keer spijtig achterom voordat hij de huisdeur opengooit en: ‘Hoi mam, ik ben thuis!’ roept.

Het liefst was hij nog even bij de waterkant gebleven. Daar is altijd wel wat te zien of te vinden. Soms vind je er bijvoorbeeld een fles. En hij hoopt stiekem nog eens een fles te vinden met een geheime boodschap er in. En soms vindt hij een paar plankjes of een stuk visnet met mooie glazen drijfbolletjes er aan, dat is dan van een schip afgespoeld. Soms vindt ’ie ook dingen die hij niet herkent en dan verzint hij zélf waarvoor dat misschien wel is gebruikt ergens anders in de wereld. Want je weet niet hoe lang en hoe vér iets over zee kan drijven, hè.

Nu is het winter en Joris loopt weer eens over de dijk. Het leek al wat schemerig toen hij uit school kwam; ’s winters is er minder licht overdag en wordt het ook eerder donker. Joris kijkt de dijk af naar de waterkant, maar hij kan niet ver kijken: het is niet alleen schemerig, er hangt ook een natte mist. Een groezelige, waterige nevel. Nog net geen miezerige regen, gelukkig. ‘Grijzig weer,’ denkt Joris, ’Ik zie bijna niks hier’. Daarom klimt hij van de dijk af en gaat hij onderaan verder, vlak langs de waterkant. Langzaam scharrelt hij verder; nog geen zin om naar huis te gaan.

Na een poosje lopen is hij de plek waar hij anders de dijk over gaat om naar huis te lopen dan ook allang voorbij. Maar daar denkt hij niet aan. Hij vind ’t nu wel spannend om zo rond te speuren in de natte mist: het lijkt net of je helemaal alleen op de wereld bent! En of die wereld maar heel klein is, alleen maar het rondje dat je om je heen kunt kijken. Een stukje dijk en een stukje water en de natte modder daar tussen. Grote stukken modder, want het is nu laag water, dat heet eb, en dan kun je soms een heel stuk de modder op lopen. Die drooggevallen modder bij laag water heet ‘het Wad’.

Joris vindt deze ingepakte wereld wel een klein beetje griezelig, maar daaróm juist ook reuze spannend: steeds ziet hij iets verderop waarvan hij niet direct weet wat het is. Een vage donkere plek bijvoorbeeld, die uit de nevel tevoorschijn komt als hij erop af loopt. En dan blijkt dat een omhoogstekend stuk steen te zijn met zeewier er aan, of een eind hout, of een hoopje schelpen of een roestend leeg blikje.

Opeens ziet hij weer iets donkers liggen, een stukje verder op de modder, maar ook een aardig eindje van de dijk af. Joris weet meteen dat hij tóch wil proberen om daar te komen. Hij glibbert het natte zand op, stapt op een omhoogstekende kei, daarna op een eindje hout, dan twee vlugge stappen op de kledderige modder en daarmee belandt hij op een iets droger stukje zand en vlakbij het donkere voorwerp. Dat blijkt wel een teleurstelling: het is maar een oude jute zak. Die is half verrot. En er zit ook niks meer in. Maar nu hij hier staat lijkt hij verderop een nog wat drogere plek te zien die een beetje vlekkerig lijkt. ‘Even kijken of daar soms iets ligt aangespoeld’, denkt Joris en zo zwerft hij steeds een stukje verder het Wad op.

Maar als hij zich even verder en even later omdraait om weer naar de dijk terug te gaan ziet hij de dijk opeens helemaal niet meer. ‘Oei,’ denkt Joris, ‘Ik moet echt beter opletten nu het zo mistig is. Ik zal mijn voetstappen maar terug volgen, dan kom ik er vanzelf’. Dat lijkt wel heel slim, maar het werkte niet, op de natste stukken modder zijn z’n voetstappen alweer helemaal verdwenen.

Nu tuurt Joris zo goed mogelijk om zich heen.

‘De dijk moet toch wat donker afsteken in de mist’, mompelt hij tegen zichzelf, ‘Ik geloof wel dat het die kant op iets donkerder lijkt’.

Dus krabbelt hij die kant maar op. Maar daar is de dijk niet, na een tijdje komt hij juist bij een brede strook water aan. En nergens ziet hij dat plankje en die steen terug waar hij in het begin op gesprongen is. En nergens vindt hij de geruststellende donkere schaduw van een helling omhoog: van de dijk. Het blijft juist alle kanten op even modderig en nat en steeds vaker komt hij bij open water uit.

Nu wordt Joris toch wel een beetje zenuwachtig. ‘Straks wordt het vloed,’ denkt hij, ‘Dan komt het water dus omhoog en dan moet ik wel op de dijk zijn. Misschien moet ik maar gewoon daarop wachten en dan kijken van welke kant het water aan komt stromen. Dan loop ik gauw de ándere kant op en dan vind ik de dijk vast wel. Zo ver kan ik er toch nog niet vanaf zijn?’ Dat is wel slim gedacht van Joris en je kunt ook wel merken dat hij aan de Waddenzee woont.

‘Misschien kan ik de zee wel hóren, dan weet ik nú al waar het water vandaan gaat komen en dan ga ik nu al vast de goede kant op,’ valt Joris meteen daarna in. Oók niet slecht gedacht. Hij luistert, met zijn hoofd een beetje scheef, héél goed en dan hoort hij vaag het ruisen van de zee. Héél zacht, dat wel. Maar het lijkt wel of hij de zee van álle kanten tegelijk hoort.

‘Jammer, maar dat heb je dus met mist,’ zucht Joris, ‘Het lijkt wel of ik in een wattendoosje sta. Dan maar wáchten!’

Dus Joris wacht. Maar wachten duurt lang… Hij wipt eens op z’n ene voet. En dan eens op z’n andere. En daarna op en neer met allebei z’n voeten. ‘M’n linkervoet wordt wel koud,’ denkt Joris. ‘En, eh, mijn rechtervoet wordt ook koud.’ Dus wipt hij nog wat harder op en neer. Maar dat helpt juist helemaal niks want nu worden z’n schoenen ook nog nat, omdat hij kuiltjes in de kleffe modder springt.

‘Brrr, nu worden m’n voeten ook nog nát’, moppert Joris dus en hij begint kleine rondjes te lopen in plaats van op en neer te springen. Maar nét als hij eens flink van zich af wil gaan mopperen valt hem opeens een nieuwe gedachte in: ‘Als ik nou eens ga roepen? Dat ik daar niet eerder aan heb gedacht. Als er iemand op de dijk loopt die mij hoort roepen, dan roept ’ie wel terug. En dan weet ik aan welke kant de dijk ligt!’ Zo gedacht, zo gedaan.

‘JOEHOE!’ roept Joris luidkeels.

‘Joehoe...’ klinkt het heel zachtjes terug.

Maar van welke kant dat weet Joris niet. ‘Dat lijkt wel een echo of zo’, denkt hij, ‘Maar wacht eens, als het een echo is, dan kaast die vast van de dijk terug!’

Dus roept hij nog maar eens flink hard: ‘JOEHOE, HIER BEN IK, MAAR WAAR BEN JIJ DIJK?

‘…waar ben jij dijk…’ klinkt het heel vaag terug.

Maar Joris denkt nu wel dat het van één kant komt. Hij loopt dus een eind die kant op. Maar als hij verderop stil gaat staan en weer wat roept meent hij weer dat het juist van de ándere kant terugkomt! Hij draait zich om, roept die kant op en… de echo komt nu toch echt van achteren! Of niet? Hij was al wat ongerust, maar nu wordt Joris van de zenuwen toch zo verschrikkelijk boos!

‘Wat is dat nou? Stomme Echo! Wat loop je me nou te pesten,’ schreeuwt Joris de mist in, ‘snap je dan niet dat ik de dijk zoek?’

‘…de dijk zoek?’ hoor je in de verte terug klinken.

‘Ja, je geeft nooit echt antwoord, hé, je bent zeker een beetje báng voor mij!’ roept Joris met een rood hoofd in de richting van waaruit hij denkt dat het geluid komt. Hij is zélf eigenlijk al heel bang geworden natuurlijk, al doet ’ie nu stoer van boosheid.

BANG?’ klinkt plotseling een ZWARE stem vlakbij zijn ene oor,IK ben nóóit bang!

Joris springt wel een halve meter omhoog van schrik. En daarna zakt hij wel tien centimeter de grond in natuurlijk, want je moet niet omhoog springen als je in slappe modder staat!

‘Wat, wat, wie-wie, waar, waar, waar…’ stottert Joris.

Wat-wat, wie-wie, waar-waar, is dat eigenlijk een vraag?’ zegt de stem, nu bij zijn andere oor. Joris kijkt snel rond, maar hij ziet helemaal niemand, hij ziet eigenlijk helemaal niks.

Toch hoort hij gegiechel en daarna tikt er iets op zijn schouder! Joris schrikt daar wel geweldig van, maar hij denkt er nog net op tijd aan om niet op te springen. Wél kijkt hij direct de kant op van zijn schouder – maar hij ziet weer niks. Dan tikt er iets op z’n andere schouder en Joris zwiept z’n hoofd daarheen – weer niks!

‘Wat zijn dat voor grappen?,’ roept Joris, die nu nog banger wordt. ‘Wie zit daar op mijn schouders te tikken?’

IK!’ antwoord de zware stem direct. ‘Wie, wie, wat, waar,’ begint Joris weer, helemaal in de war nu.

Ja die vragen heb ik al eerder gehoord,’ klinkt de stem droog.

‘Nou, zeg dan wat terug, stom ding!’ roept Joris nerveus.

Ik ben géén stom ding,’ zegt het stomme ding.

‘Wie ben jij dan wel?’ flapt Joris er zomaar uit, maar hij is wel gauw een paar stappen achteruit gedeinsd.

Ik? Ik ben de Grijsgroene,’ zegt de stem kalm.

‘De Grijsgroene?,’ reageert Joris, die nu wat kalmer maar ook véél nieuwsgieriger wordt. ‘De Grijsgroene? Wat is nou weer een Grijsgroene?’

Gewoon, de Grijsgroene Waddenwatersliert,’ antwoord de Grijsgroene Waddenwatersliert.

‘De wa, wa, wàh?’ stotterde Joris verbaasd.

Dat doet me weer heel erg denken aan je éérste twee vragen,’ zegt de Grijsgroene Waddenwatersliert een beetje spottend. ‘Kijk nu eerst maar eens heel erg goed, dan zal ik me voor je uitrekken!

Kleurplaat

Nu kijkt Joris extra goed recht in de mist en hij ziet dat er een sliert grijze nevel is die dikker lijkt te worden en dat er ook wat groene strepen door dat dikkere grijs lijken te lopen. Een hele sliert van dat groenig grijs lijkt even later wel te kronkelen in de mist, alsof het een reusachtige slang is waar je half doorheen kunt kijken… Hij draait nu in cirkels en spiralen in de nevel.

‘Jij lijkt wel een wervelstormpje – of een draaikolk in de mist’, zegt Joris verbaasd.

Klopt,’ zegt de WaddenWatersliert tevreden. ‘Ik sliert net zo als ik zin heb, daarnet slierde ik spiraal. Kijk, nú sliert ik weer cirkel,’ en hij slierde een rondje.

Mooi!’ roept Joris en hij klapt erbij in zijn handen.

Eh, vind je dat écht mooi?’, vraagt de Sliert, plotseling wat verlegen en Joris zou gezwóren hebben dat er wat roods door het grijsgroen heen schemerde.

Héél mooi,’ roept Joris, ‘Doe het nóg eens.’

Zó?’ vraagt de GrijsGroene en hij draait eerst een hoog en daarna een laag rondje.

‘Kun je nog wat moeilijkers?’ vraagt Joris.

Jawel,’ klinkt de zware stem van de Sliert en dan draait hij een prachtig achtje!

‘Geweldig!’, roept Joris bewonderend. Hij klapt erbij in z’n handen en springt van enthousiasme bijna een meter de lucht in – en zakt prompt wel vijftien centimeter de grond in. Want, zoals je al eerder gemerkt hebt: dat kan écht niet daar.

Bovendien was er inmiddels een klein beetje water rond zijn schoenen komen staan. Dus nu heeft Joris niet alleen natte schoenen maar ook kleddernatte randen aan zijn broekspijpen. Langzaam komt de vloed komt op, zie je, maar Joris let daar helemaal niet op. De WaddenWatersliert is intussen echt helemaal losgegaan, want hij is er trots op opeens zo’n enthousiaste toeschouwer te hebben als Joris.

Kijk mij nu maar eens,’ en ‘kijk dit ook eens,’ en ‘wat vind je hier van,’ roept hij en hij draait steeds ingewikkelder figuren in elkaar. En Joris schreeuwt en klapt tot hij helemaal schor is en rode handpalmen heeft.

‘Hou op,’ roept Joris tenslotte, ’Ik word er helemaal duizelig van!’

De Sliert komt tot rust.

Hm,’ zegt hij, ’Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand mij mooi vond. Mensen horen eigenlijk bang te worden van mij. Daar zijn Slierten voor: wij brengen mensen in verwarring en helpen ze verdwalen in de mist. En dan gaan ze ‘Help!’ roepen en als een kip zonder kop rondrennen. Prachtig!’.

‘Ho, ho. Zo prachtig vind ik dat niet,’ zegt Joris die nu veel minder bang is voor deze Sliert. ’Maar waarom maakte je mij dan ook niet bang?’

Jij was al bang!’ antwoord de Grijsgroene.

‘Nietes!’

Oh jawel!

‘Nou, een klein beetje al wel dan misschien,’ gaf Joris toe, ‘maar het is toch veel fijner om mensen niet bang te maken?’

Eh, misschien wel eigenlijk..’ mompelt de Grijsgroene WaddenwaterSliert, na even nagedacht te hebben. En nu wist Joris wel zeker dat WaddenWaterslierten kunnen blozen: hij zag duidelijk een roze voorkant aan de Sliert!

Tja, een spelletje doen blijkt óók heel leuk, dat wist ik eigenlijk niet,’ vervolgt de Sliert. ‘Bedankt dat je me dat hebt laten zien, eh, dinges.

‘Ik ben geen dinges, ik heet… SHIT!’ zei Joris en hij keek omlaag naar zijn voeten.

Heet jij écht SHIT?’ De Grijsgroene leek verbaasd.

‘Eh, nee natuurlijk niet! ik heet Joris, maar ik heb wel een probleem. Ik moet hier weg!’ roept Joris haastig, ‘Ik sta in het water! De vloed komt op! Straks komt het water tot mijn boven mijn riem of nog hoger.’

Nou, da’s toch heerlijk. Lekker vers, fris zeewater. Ik ben zélf praktisch helemaal van water,’ bromt de Sliert tevreden.

‘Maar ik niet,’ roept Joris, ‘IK moet wel adem kunnen halen natuurlijk!’

Ademhalen? Gekkigheid,’ meent de Grijsgroene.

‘Voor mij niet,’ zegt Joris, ’Ik moet nu écht naar de dijk!’

De dijk? Oh, als ’t niks anders is, wacht maar eventjes.’ En met deze woorden draait de Waddenwatersliert zijn achterkant in een lus en wipt die over Joris heen tot ongeveer waar zijn broeksriem zit.

Hou je vast en áchteroverleunen!’ roept hij nog en voor dat Joris begrijpt wat er gebeurt sliert hij met zó’n vaart over modder en water dat hij wel een waterskiër of een levende speedboot lijkt.

‘Joehoei!’ gilt Joris, zodra hij van de schrik bekomen is. ‘Gewéldig, ga door!

Dat had hij beter niet kunnen zeggen, want het volgende ogenblik is de dijk er al en… met een ‘KLATS, AU!’ landt Joris plat tegen de dijk. Gelukkig wat hoger op de zijkant en dus op het gras en niet op de stenen onderaan, want de golfjes van de vloed hebben zich al aardig omhoog gelikt.

‘Ik weet niet of samen spelen wel zo’n goed idee was,’ moppert Joris even terwijl hij zijn bloedneus afveegt aan z’n mouw. Maar zijn zin voor avontuur krijgt al gauw weer de overhand.

‘Maar we doen dit nog wel eens over, hé Sliert?’ roept hij daarom naar het water.

Joehoeh. Als het weer mistig is!’ klinkt het uit de verte.

‘Gewéldig! Tot als er weer mist is dan!’ schreeuwt Joris terug. En dan gaat hij op weg naar huis.

Een GrijsGroene WaddenWatersliert…

…wie had kunnen bedenken dat er zoiets bestaat?