Sluiten

Een egel op z'n tenen


Sommigen van jullie kennen Egbert de Egel al. Want die zijn hem al eerder tegengekomen in het verhaaltje over de Prik Taxi. Maar nu heb ik weer iets heel nieuws over hem gehoord: Egbert Egel krijgt sluiples!

Dat kwam zo.

Als je een egel bent, dan ben je een gezellige rommelkont. Je schommelt en je scharrelt en je maakt daarbij intussen een geweldige herrie! Vraag maar eens rond, want er zijn vast heel wat tuinen waar ook egels komen in de buitenwijken bij jou. Zo'n egel wroet vooral graag tussen hopen bladeren en takkenbossen, altijd op zoek naar torretjes en ander lekkers ... Bang is een egel niet. Dat hoeft ook niet, want hij zit zo vol stekels dat hij nog het meest lijkt op een wandelende bruine cactus! En hij kan zich ook nog helemaal oprollen, zodat hij echt overal prikt. Daarom maakt hij rustig zoveel lawaai dat iedereen hem wel kan vinden.

Egbert was dus aan het rondscharrelen en daarbij zomaar wat aan het mopperen toen plotseling ... Dibbes voor hem stond!

Dibbes is de poes van de tuin naast die waar Egbert net in rondscharrelde. Toch schrok Egbert zich een hoedje! Niet van Dibbes zelf, want hij kent die poes allang, maar wel omdat de poes zo plotseling voor hem stond!

‘Hè,’ mopperde Egbert, ‘ik hoorde je helemaal niet aankomen!’

‘Dat moet ook niet,’ riep Dibbes op zijn beurt, ‘ik sluip juist altijd heel zachtjes, want anders gaat al mijn eten er van door!’ En dat is waar, want poezen houden veel van vogeltjes, tenminste: als maaltijd. Maar gelukkig letten die vogeltjes meestal wel goed op. Daarom moet Dibbus dus heel zachtjes sluipen, als hij wat wil vangen!

‘Maar je wás al een beetje aan het mopperen Egbert,’ ging Dibbes verder, ‘waarover ging dat dan eigenlijk?’

‘Nou, dat is omdat ik maar zo weinig torretjes en slakjes kon vinden, en daar hou ik juist zo van,’ mopperde Egbert nu, een beetje chagrijnig. Dibbus dacht hier even over na.

‘Misschien,’ zei hij, ‘misschien gaan die slakjes en de torretjes er óók wel vandoor als ze jou al aan horen komen. Misschien moet jij óók wel sluipen!’

‘Zou je dènken?’ schrok onze egel, ‘ik kan helemaal niet sluipen.’

‘Dat léér ik je dan toch gewoon!’ riep Dibbes enthousiast.

Zo is het dus gekomen. Ze zijn meteen begonnen met oefenen. En ze deden erg hun best: Dibbes om het zachtjes sluipen aan Egbert te leren, en Egbert om zijn luidruchtige rommelen onderweg af te leren. Nou dat viel niet mee, want een egel is geen poes, natuurlijk. Ze deden dus erg hun best, maar toch …

Als je nu op een mooie zomeravond naar Egbert en Dibbes luistert, dan … Hoor je eerst niks. En even later hoor je –zzoefff– en dan is Dibbes langs je heen geroetsjt!

Dan weer een hele tijd niks.

En dan, tja, dan horen we hoe geritsel en gekraak langzaam dichterbij komt. Veel geritsel in de verte. Dan nog meer geritsel. Gekraak. En nog meer gekraak. En dan …

Dan steekt Egbert zijn stekelige kopje met de kleine kraaloogjes onder de struiken uit en trekt daarbij een verbaasd snuitje omdat hij ziet dat je dan allang naar hem kijkt. Hij denkt dan, ‘Nou hebben ze me alweer horen aankomen, hoe kan dat toch!?’

Nee, die Egbert zal het wel nóóit leren. Want een egel blijft een egel en sluipen is niks voor hem: al gaat hij ook vooruit op zijn tenen, dan maakt dat nog bijna net zoveel herrie als normaal!

En jij?

Kun jij wel goed sluipen?

Probeer het maar eens.

Niet dat het ergens voor nodig is natuurlijk, want jij eet toch geen vogeltjes en ook geen torretjes ...

Tenminste, dat hoop ik maar!