Sluiten

De wilniet winter


Ergens bovenin de wereld, hoog in Lapland, staat een houten huisje. Er loopt geen pad naartoe. En er zit geen deur in. Dat hoeft ook niet, want tussen die stokoude planken daar woont de familie Seizoen. En die leven heel anders dan wij!

Ze zijn meestal wel drie maanden achter elkaar wakker. En ook drie maanden achter elkaar aan het werk. Nou, daar wordt je dus knap moe van! Daarom zitten ze na die drie maanden werken meestal eerst een weekje of twee lekker aan het haardvuur bij te komen - om daarna ruim een half jaar achter elkaar aan te slapen! In het dak zit een flink luik, van extra zware planken: dat is de toegangsdeur.

Op het moment dat dit verhaal begint, liggen Lente en Zomer te slapen. Winter zit bij het vuur. Wat?! Bij het vuur? Winter?

Hier klopt iets niet!

Het grote luik in het dak kraakt, dat gebeurt maar vier keer per jaar - en tóch hoort Winter het niet ... Dan komt Herfst zuchtend naar binnen. Hij is een beetje nat en verwaaid, maar dat is Herfst wel gewend. Hij is ook moe!

Eerst heeft 'ie alle blaadjes van de bomen geel en bruin geverfd en soms zelfs prachtig rood. Daarna heeft hij alles nog eens goed nat gemaakt. Toen heeft hij de nevels in de ochtend steeds weer netjes opgetrokken. En later heeft hij alle blaadjes, die hij eerst gekleurd had, er zachtjes afgeblazen. Tenslotte heeft hij nog een paar keer heel hard moeten waaien om ook de meest eigenwijze bladeren van hun tak en op de grond te krijgen. En daarna het nog even flink laten regenen, zodat alles blijft liggen en dat daaronder alle worteltjes van alle plantjes dus veilig beschermd zullen zijn. Want alleen dan kan de wereld in de Lente weer helemaal groen worden…

Nu is het allemaal klaar dus je voelt wel: Herfst is moe. Hij verlangt naar zijn winterslaap. En ook om eerst nog even lekker te mijmeren bij het haardvuur. Een zacht haardvuurtje natuurlijk, want Herfst heeft het gauw te warm. En hij kan het vuur ook pas aanmaken, nadat Winter de deur uit is, want Winter kan helemaal niet tegen vuur en warmte. Die houdt alleen van kou! Zo komt Herfst dus, moe maar voldaan, naar binnen.

Nu eerst Winter wakker maken ... Hé, wat is dat nu: Winter is al wakker!

‘Eh, maar … Winter, wat doe jij bij het vuur?

‘Nou, gewoon,’ bromt Winter, ‘ik was wat eerder wakker en toen was jij er nog niet en toen dacht ik eraan dat jij altijd nog even bij het vuur zit, en dat doe ik eigenlijk nooit. En toen heb ik het maar vast even voor je aangemaakt. En nou zit ik hier al een paar dagen en het lijkt me intussen hier toch lekkerder dan buiten ...’ Herfst wist niet wat hij hoorde!

‘Buiten is het nat en guur.’ verduidelijkte Winter, in zijn ijspegelachtige baard brommend.

‘Da's nogal wiedes, want dat is mijn werk! En als ik iets doe, dan doe ik het goed!’ zei Herfst, die een beetje boos begon te worden, ‘en jij moet nu naar buiten, want het is tijd voor sneeuw en heldere vriesluchten!"

‘Ik heb geen zin,’ sputterde Winter tegen.

‘Maar je moet!’ riep Herfst nu, ‘ga toch zo’n lekkere Elfsteden-winter opzetten...’

‘Teveel van het goede’, bromde Winter weer, ‘het vorig seizoen kwam me ook al niet zo veel uit handen. Ik hou 't voor gezien, ga jij nog maar gewoon een paar maandjes door …’

Nu werd Herfst pas echt kwaad: hij pakte Winter bij z'n baard en bij één van z’n geweldige oorflappen en duwde, schold en wrikte net zo lang tot Winter tegenstribbelend van het dak af rolde!

‘En je komt er de eerste drie maanden niet meer in!’ schreeuwde Herfst hem nog na.

‘Ja, ja, 'k wist niet dat je kwaad werd!’ mompelde Winter, die wel eens stiekem door de ramen naar de televisie gluurt op heldere avonden, ‘maar ik maak me niet moe. Gewoon Geen Zin. Eigenlijk wil ik niet ...’

En zo is het gekomen.

Weinig Winter dus bij ons. Hij is er wel, maar hij maakt zich niet dik. Hij wil niet, die Winter. Misschien dat hij uit verveling er toch nog lol in krijgt en nog even met sneeuw gooit of aan de thermometer morrelt. Maar ik denk van niet.

Niks mee te beginnen zo’n wilniet Winter.

Gewoon maar wachten op de Lente dus.

Want dan begint alles weer van voren af aan.