Sluiten

De Mompeldrommel


Dit verhaal begint bij Gerrit en Gerda. Gerrit en Gerda zijn broer en zus, ze lijken wel wat op elkaar. Vaak houden ze van dezelfde dingen – nog het meest van avonturen eigenlijk. Ze houden ook wel eens allebei niet van iets – bijvoorbeeld van hun naam! Gerrit wil eigenlijk stoerder heten. Aragorn of Blackman of zoiets. En Gerda voelt wel wat voor Amalia Mathilde. Maar ja, hun ouders hebben ze gewoon Gerrit of Gerda genoemd. Naar opa en oma van hun moeders kant. Nu kent iedereen ze zo. En dan kun je op je kóp gaan staan, maar dat is haast niet meer te veranderen. Als je het bijvoorbeeld probeert en een nieuwe naam opgeeft in het nieuwe leerjaar op school, dan lachen ze je gewoon uit en zeggen dingen als: ‘Gerrit, eh, pardon, Aragorn bedoel ik,’ en dan volgt steeds weer dat hinderlijke gegrinnik.

Zo is het dus gewoon Gerrit gebleven die op een ochtend in de vakantie, op een camping in het midden van het land, al láng op is als z’n ouders nog liggen te slapen. Gerda is óók al lang op.

‘Laten we op avontuur gaan!’ zegt Gerrit, ‘Dat hele smalle paadje in dat we pas zagen, je weet wel, bij dat mossige, scheve bordje.’

‘Oh ja,’ denkt Gerda hardop, ‘Vennedorp stond er op, je kon het haast niet lezen, zo groen was het, maar ik denk dat er Vennedorp stond.’

‘En papa zegt dat er geen Vennedorp op de fietskaart staat, er bestaat helemaal geen Vennedorp, zegt ‘ie,’ pleit Gerrit, ‘Dan gaan wij eens lekker uitzoeken hoe dat zit, spannend toch?!’

‘Maar ’t is wel erg mistig ... ’ aarzelt Gerda, ‘En papa en mama zijn nog niet op en die schrikken zich rot als wij plotseling weg zijn.’

‘Juist nog spannender met die mist,’ vindt Gerrit, ‘Dan zie je niet waar je uitkomt. Dan zijn we echte ontdekkingsreizigers.’

Hij denkt even na. ‘We plakken wel een briefje op de klaptafel.’ Zo gezegd, zo gedaan. Even later zit er een briefje op de tafel waarop staat: ‘We zijn even op avontuur.’ – en zijn Gerda en Gerrit verdwenen in de mist …

Het valt nog niet mee het begin van het smalle paadje aan de bosrand te ontdekken, want je moet eerst het vervallen bordje aan de overkant van de droge greppel tussen een heleboel struiken terugvinden en dan nóg zie je eerst nauwelijks dat het echt een paadje is. Nu, in de mist, lopen Gerrit en Gerda er wel drie keer voorbij voordat ze het begin van dat paadje uiteindelijk weer vinden. Als ze er eenmaal oplopen valt het ook niet mee om het pad goed te blijven volgen: het kronkelt tussen bomen door en over stukjes hei en wild gras en af en toe om een kleine plas heen. En omdat het nevelig blijft zien ze steeds maar een klein stukje voor zich uit.

Het is ook wel een beetje griezelig, want als je zo door de nevel loopt dan zie je eerst haast niks en dan doemt er plotseling een donkere vorm op … Pas als je heel dicht bij bent zie je dan dat het een struik is of een stuk boomstam. Griezelig en leuk. Dat is eigenlijk samen: spannend. Voorzichtig dwaalden ze zo een hele tijd door.

Het paadje bleef smal, maar het was nu wat duidelijker te volgen. Toen doemde er een wat grotere vorm op uit de mist. Dat bleek een scheefgezakt houten schuurtje te zijn. En daarachter stond een huisje. Heel klein en duidelijk oud, maar wel van steen en met een schoorsteen en luiken en een regenton. Wel een echt huisje dus.

Daarna kwamen ze langs een klein boerderijtje met een ouderwetse hooiberg en twee schuurtjes. Even verder liepen ze weer langs een huisje. En toen nog twee schuurtjes, eentje met een ingezakt dak. Toen kwam er een kromme boom. En daarachter stond op een groenig bordje ‘Einde Vennedorp’.

‘Nou,’ zei Gerrit meteen, ‘Ook een dorp zeg!’ En ze liepen weer terug. Maar er stond nergens een bordje ‘Begin Vennedorp’, dus je was er al weer uit voordat je door had dat je er was!

Gerrit wilde wel eens weten of er misschien een groter stuk dorp was wat je nu niet kon zien door de mist en daarom belde hij aan bij het boerderijtje. Er hing een echte oude bel die flink rammelde toen Gerrit aan het stuk ijzerdraad trok dat daaraan hing. Er klonk wat gestommel binnen en even later deed een heel oud mannetje met een pet op de deur krakend open. Hij keek vriendelijk door zijn kraaloogjes naar Gerda en Gerrit, haalde de pijp uit zijn mond en zei: ‘Ja-aa, kienders, wat wiln jullie?’

‘Wij, eh, wij zoeken eh, we waren eigenlijk eh …’ stamelde Gerrit onhandig.

‘Wij zijn met vakantie!’ zei Gerda toen vlug, terwijl ze Gerrit een stomp gaf omdat hij zo stond te stamelen. ‘En toen zagen we een bordje Vennedorp en toen wilden we daarheen over het kleine paadje en nou zijn we tot hier gekomen en nu willen we wel graag weten waar heel dat Vennedorp nu eigenlijk is … ’

‘Vennedorp?’ zei het mannetje, ‘Ja, zo heet het eigenlijk hier, Vennedorp. Maar ach, ’t is nauwelijks meer ’n dorp, hè? Vroeger was ’t echt wel ’n dorp hoor, met meer huiz’n en boerderij’n en zo.’

‘Oh,’ zei Gerda, ‘Maar waar is het dorp dan nu?’

‘Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten,’ riep Gerrit die het heel slecht kon hebben dat nu alleen zijn zusje aan het woord was.

‘Ach, ’t werd hier steeds natter hè,’ zei het boertje, ‘Vroeger was ’t ook al wel wat nattig, hoor. Maar er waren toch wat weilandjes en zo. Enne, tja, de mensen hadden toen één koe en één varken en wat kippetjes en daar kond’n ze van leven, hè. Maar ja ’t water kwam hoger en door de jaar’n heen werd ’t steeds drassiger. En tegelijk hadde’je steeds meer beest’n nodig om te leven, want alles is nu veel duurder, hè. En daarom ben de boer’n weggaan, enne, iedereen eigenlijk langzaam aan. En ja, nou woont er bijna niemand meer, hè. En veel weiland’n zijn er ook niet meer ... ’

‘Goh,’ zei Gerrit, die ademloos naar het verhaal over het verdwijnen van een heel dorp geluisterd had. ‘En wat is hier dan verderop nog?’

‘Verderop?’ zei de boer, ‘Daar ligt eigenlijk alleen maar veen. Drassige grond met vennetjes, riet en biez’n en wilde struiken. Meestal wilg’n. Daar kom’ we eigenlijk nooit, want er valt niks te boer’n en je moet wel uitkijken waar je loopt natuurlijk!’

Toen boog hij zich een beetje naar Gerrit en Gerda toe en zij zachtjes: ‘Daar komt nog bij dat er weleens wat wordt mompeld!

‘Weleens wat wordt mompeld?’ herhaalde Gerda vragend – ze snapte er niks van!

‘Er wordt wat verteld of gefluisterd, denk ik,’ zei Gerrit en hij keek het boertje vragend aan. ‘Is het geheimzinnig?’ vroeg hij toen, want daar hield Gerrit van.

‘Ach,’ zei de boer, ‘Het zal wel heel niet waar weez’n, maar mijn oude opa zei altijd, ja dat is al héél wat jaar’n geleden, maar toen zei die altijd: daar woont de Mompeldrommel!’

‘Een mompeldrommel?’ riepen Gerda en Gerrit in koor, ‘Wat is dát nou weer?’

‘Tja,’ zei de boer, ‘Ik zeg ook niet dat ’t waar is, maar vroeger als je ontdeugend was als kiend, dan riepen je pa en ma hier al gauw eens van: pas maar op, anders roep’n wij de Mompeldrommel! En dan wezen ze naar het veen hierachter. En daar waren wij als kiend dan echt wel wat bang van, weet’iewel … ’

Hij keek even peinzend naar de pijp in z’n hand en zei toen: ‘Goed jongelui, ik ga maar weer eens naar binn’n, gaan jullie maar weer gewoon terug naar waar je vandaan komm’n bent en vergeet die mompeldrommel maar weer gauw. Dag hoor,’ en daarmee sloot hij zijn deur.

Gerda en Gerrit keken elkaar eens aan. Wat zouden ze doen? Ze hadden het wat koud maar een avontuur is veel te leuk om over te slaan natuurlijk.

‘Toch maar even gaan kijken verderop?’ zei Gerda, ‘Spannend!’

‘Ja leuk,’ gaf Gerrit toe, ‘Maar ik wou wel dat ik een paar broodjes had meegenomen.’ Gerrit kon áltijd wel eten …

Eensgezind gingen ze op weg achter het bordje ‘Einde Vennedorp’ weer zo’n smal padje op. Ze merkten wel dat de boer gelijk had: het was een erg vochtig paadje. Je moest regelmatig langs plassen en drassige stukken zien te komen. Ze hadden gewonen schoenen aan, geen laarzen, dus al snel hadden ze allebei natte voeten gehaald. Gelukkig had het de laatste weken niet zo veel geregend, anders was het hele paadje niet meer te vinden geweest. Net toen Gerda dacht, ‘Het wordt hier echt te vies en ook gevaarlijk drassig,’ struikelde Gerrit plotseling voorover en pletste hij languit in de modder!

‘Bah,’ riep Gerrit. Hij spuugde nijdig wat nat gras uit en kwam mopperend weer overeind. Gerda zag intussen waarover hij gestruikeld was. Op het eerste gezicht leek het een laag, plat dijkje, dat het paadje kruiste en kronkelend dwars door ondiep water verder liep. Maar toen keek ze eens goed.

‘Het is een muur,’ zei Gerda en ze kraste een stuk mos en wat modder weg. ‘Kijk maar!’

‘Je hebt gelijk,’ zei Gerrit, ‘Waar zou die heengaan?’ Hij klopte nog wat viezigheid van z’n jas en broek en liep voorzichtig over de begroeide bovenrand van de mossige muur dwars over de plas. ‘Kom op!’

Gerda ging achter hem aan, maar ze vond ’t wel glibberig en ze hoopte maar dat ze er niet af zou kukelen: naast de muurrand leek het niet zo diep, maar wel erg nat!

‘Hier wordt het nog breder,’ riep Gerrit verderop en even later: ‘Een ruïne!’

En dat was zo. Uit de mist en uit de natte grond doemden dikke afgebrokkelde muren op. Begroeid met gras en kleine struiken. Niet hoog, maar wel heel dik. Ze klommen er meteen bovenop. Dat was niet moeilijk want de laagste stukken kwamen maar net boven Gerda’s knieën. Achter de eerste muren was een drassig veldje en daarachter stond weer meer steen, wat hoger.

Eén hoger stuk leek wel een oude toren te zijn geweest. Rond, heel breed en wel twee, drie keer zo hoog als Gerda en Gerrit zelf. Gerrit ging daarop af en liep er omheen. Rondom stonden struiken, niet alleen op de grond, maar er kwamen ook struiken uit de spleten tussen de stenen. Bovenop de afgebrokkelde stomp groeide ook nog heel wat.

‘Dit was ooit een kasteel, denk ik,’ zei Gerrit enthousiast.

Gerda knikte. ‘Laten we kijken of er nog ergens een deur of een poort inzit,’ zei ze. En speurend liepen ze nog een keer langzaam om het bouwsel heen.

‘Daar zit een donkere plek in de muur, denk ik. Tussen de klimop achter die struik daar,’ zei Gerrit aarzelend. Gerda greep zijn arm, ’Stil eens, ik hoor wat!’

Ze stonden doodstil en hielden hun adem zelfs in. Héél zacht kwam er vanuit de ruïne een geluid dat ze niet konden thuisbrengen. Langzaam stapten ze naar voren in de richting van het geluid tot aan de struiken. Toen bogen ze wat takken uit elkaar en slopen ze dichter naar de muur toe. Daar zat, achter veel strengen klimop, inderdaad een lage, vervallen opening.

Een donker gat.

En uit dat gat kwam het geluid.

Iets luider nu. Een ráár geluid. Het klonk ongeveer zo: ‘mmm-pl d-mmpl de mmpl de doem … de mm-pl dom … ’ Nu eens wat harder en dan weer wat zachter, maar het ging maar door.

‘Dat lijkt wel op gemompel,’ fluisterde Gerda zachtjes in Gerrits oor. ‘Zou daar de mompeldrommel zitten, waar die boer het over had?’

‘Ssst,’ siste Gerrit, ‘Er is maar één manier om daar achter te komen: gaan kijken … ’

Maar hij bleef stil zitten. En Gerda ook. Want ze vonden het eigenlijk heel griezelig om dat gat in te stappen. Na een poosje haalde Gerrit diep adem, kneep in Gerda’s hand en fluisterde zacht, ‘Kom op!’

Samen schuifelden ze zachtjes naar voren, het gat in dat dwars door de dikke muur bleek te leiden … Daarachter keken ze hun ogen uit. Ze kwamen een kleine zaal in. Er viel schemerig licht door twee gaten wat hoger in de rondlopende muur. Er hingen half vergane kleden tegen die muur. Terwijl hun ogen wenden aan het halfdonker zagen even verderop drie verroeste harnassen op een rijtje staan. Nog weer verder stond een half vergane tafel op drie poten. De andere poot lag eronder. En dáár achter vandaan kwam het gemompel, veel luider nu. Gerda keek Gerrit aan en ze liepen langzaam die kant op …

‘Moemboem, moewoe boewoemboem moe ... ’ klonk het geluid nu.

‘Het lijkt wel een stem,’ fluisterde Gerda. Gerrit knikte. ‘Maar ik kan ’t niet vertaan,’ siste hij terug, ‘Het komt uit die nis daar in de hoek, onder die stenen boog.’ Zachtjes slopen ze dichterbij. Er bleek daar een helemaal dichtgegroeid raam te zitten, met een brede stenen vensterbank ervoor. En op die vensterbank …

Daar zat een bonk roestig ijzer.

Kleurplaat

En uit dat roestende ijzer klonk een doffe stem, ‘Nou, nou, hij blijft wel lang weg zeg. Waar blijft die page nou. Poeh, poeh, het duurt wel lang. Bijlo, laat ‘m eens wat opschieten. D’r meteen meebrengen misschien. Of alleen maar een bericht. Maar nee hoor: wachten tot ik een ons weeg. Tot Sint Juttemis. Ik wou dattie nou es kwam. Verdikkeme, wat duurt dat lang, zeg. Maar ja: beloofd is beloofd. Ik zou niet kijken, gewoon blijven wachten. Maar ’t duurt wel lang. Waar blijft ’ie nou? Bijlo, wat duurt dat lang, zeg En zo ging dat maar door!

‘Nou zeg, er zit wel een mopperkont in die bonk roest zeg,’ zei Gerrit zachtjes.

‘Ik snap er niks van,’ fluisterde Gerda. ‘Als dit de mompeldrommel is, wat is dan een mompeldrommel?’

‘Dat is om de drommel geen drommel,’ zei Gerrit, ’Dat is een harnas!’

‘Doe niet zo gek,’ zei Gerda met een grijns, ‘Harnassen mompelen niet en roest mompelt ook heus niet.’

Gerrit keek haar nijdig aan en toen stapte hij plotseling naar voren en klopte stevig tegen dat harnas. ‘Hé, hallo, daar binnen,’ zei hij, ‘Hou is op met dat gemompel en doe je klep eens los!’

Gerda verstijfde van schrik, ze had niet gedacht dat haar broer zoiets zou durven!

Hoem! Wat hoor ik, ben je terug? Dat zal tijd worden zeg! Bijlo, wat bleef je lang weg, sprak het harnas en het kwam knarsend in beweging.

Het rammelde en kraakte en je hoorde gemompel van, ‘Wat gaat dat stroef zeg. Daar mag weleens een drupje olie tussen. Of Ganzevet.’ En toen stond het rechtop en kwam er een arm omhoog die de gezichtsklep – het vizier heet dat – piepend omhoog schoof. Hij leek ineens veel minder eng. Want hij was heel kort, maar een heel klein stukje langer dan de kinderen. Ze konden hem bijna recht aankijken. Er zaten nu een paar ogen achter dat vizier en een neus. En plukjes snor- en baardharen staken door alle kieren naar buiten.

‘Hé daar. Wie zijn jullie? Wat moet dat hier. En wie heeft het licht uitgedaan in mijn zaal … ’ Toen keken de ogen in het rond en gingen ze wijd open van schrik! ‘Maar, wat is dit voor ouwe troep? En waar is mijn zaal eigenlijk?

‘Dat zijn een heleboel vragen tegelijk,’ gaf Gerda antwoord.

‘Wij zijn Gerrit en Gerda. En wij zijn op uw gemompel afgekomen. En er is hier helemaal geen licht, alleen een beetje door dat dichtgegroeide raam achter u.’

‘En deze ouwe troep is volgens mij een kasteel-ruïne,’ vulde Gerrit aan.

‘Ruïne? Mijn prachtige kasteel?!’ begon de man in het harnas verontwaardigd te roepen, maar toen zweeg hij. Deed twee piepende stappen naar de ene kant, stond stil en toen drie knarsende stappen naar de andere kant. Hijgend keek hij om zich heen. Naar de rotte tafel. Naar het schimmelige wandkleed. Naar alles wat er binnen en buiten op de stenen groeide. En naar het halfverbrokkelde plafond waar hier en daar wortels doorheen staken en als touwbaarden naar beneden hingen.

‘Bijlo,’ zei hij, ‘Wie, Hoe, Wat … ’ en toen zweeg hij weer en zakte wat in. ‘Wat is hier aan de hand, alle slotgrachten nog aan toe.’

‘Dat zouden wij ook wel eens willen weten,’ zei Gerrit nu, ‘Wat doet een roestige oude ridder in een nog oudere ruïne? U hoort in een museum te staan en niet hier te zitten mompelen!’ Gerda giechelde.

‘Een museum, wat is een museum? En hoezo roestige oude ridder?! Ik zat gewoon even te wachten ... ’ sprak het harnas nu fier, ‘Ridder van Glimhorst tot Wolfenbeke, aangenaam.’ En hij wilde z’n andere arm uitsteken om hen de hand te reiken – maar dat ging niet: die arm zat bij de schouder helemaal vastgeroest …

‘Dan hebt u vast héél lang even zitten wachten, denk ik,’ zei Gerda nu, ‘Kijk maar eens naar uw harnas. En naar uw kasteel natuurlijk.’

De roestige Ridder van Glimhorst tot Wolfenbeke keek eens naar zijn vervallen harnas, naar zijn afgebrokkelde zaal en tenslotte naar de kleding van Gerrit en Gerda.

‘In welke Anno Domini verkeren wij dan?’ zei hij aarzelend, ‘Zeker niet meer helemaal 1341?’

‘Anno Domini? Oh, in welk jaar? 1341? Bent u mal geworden het is al 2011!’ riepen de kinderen door elkaar.

De Ridder verstond ‘2011’ wel en zijn ogen werden nóg groter. ‘2011?’ zei hij, ‘Maar ik ben hier in 1341 gaan zitten. Het was voorjaar en mijn herte ging uit naar jonkvrouw Carina van Zoeteke tot Clarenschijn. Ach, ze is zo mooi, de Jonkvrouw. Maar ik ben verlegen zie je. Dus ik stuurde mijn page om haar mijn aanzoek over te brengen. En ik zou hier blijven wachten tot hij met haar antwoord – of met haarzelf natuurlijk – terug zou komen … ’ Hij zuchtte en keek weer om zich heen. ‘Er moet iets misgegaan zijn’, sprak hij.

‘Ja dat kun je wel zeggen,’ zei Gerrit die in de gauwigheid aan het rekenen was geslagen, ’U zit hier al bijna 700 jaar!’

Langzaam leek de Ridder te gaan begrijpen wat dit betekende en je zag hem bleker worden in zijn harnas. ‘Maar dan komt mijn page niet meer terug,’ zei hij, ‘En er is helemaal geen jonkvrouw meer’. Hij zuchtte, ‘En ook geen kasteel. En geen knechten. En geen kok. Wat moet ik nu?’

Gerda had medelijden met de arme ridder die hier helemaal niet thuishoorde. Maar Gerrit dacht na. Hij had een idee.

‘Een museum of, eh, een kasteel,’ zei hij, ‘Ja waarom eigenlijk niet? U moet op een kasteel gaan werken. Als bewaker, of als gids om mensen rond te leiden. Niemand weet natuurlijk zoveel van kastelen en hoe ’t vroeger daar toeging als u!’

Gerda vond het een prachtig idee. En samen legden ze aan de Ridder uit hoe de wereld van nu in elkaar zit en wat ze met zo’n baantje bedoelden.

Om een lang verhaal kort af te maken: die roestige Ridder kun je nu tegenkomen in het Muiderslot. Daar vertelt hij de bezoekers van alles over de middeleeuwen. Je kunt hem zo herkennen: hij is de kortste man daar.

Maar het is beter om hem niet meer aan te spreken als Van Glimhorst. Of iets te vragen over 1341. Want dan denkt hij aan Jonkvrouwe Carina van Zoeteke tot Clarenschijn. Dan worden zijn ogen troebel. En dan zegt hij geen woord meer.

Niet doen dus. Gewoon naar zijn verhalen luisteren. Maar jij weet dan ...

... ooit was dit een Roestende Ridder, eeuwenlang een Mompeldrommel!