Sluiten

De kikker die niet van water hield


In dit voorjaar, alweer even geleden, waren er een heleboel kleine kikkertjes geboren. Ze groeiden hard: eerst als kikkervisjes en toen met kleine achterpootjes en daarna als echte kikkertjes, die ook op de kant kunnen springen.

Eén daarvan was Kwakker.

Kwakker had wel tien broertjes en zelfs véértien zusjes. Zoveel, als je die allemaal op je vingers wilt tellen, dan heb je ook nog je tenen nodig! Al die broertjes en zusjes hielden van spetteren en spatten in het water.

Alleen Kwakker niet. Zodra hij pootjes had, klom hij op de kant en zei hij meteen: ‘Kwàrrk, gelukkig is het hier niet zo nat... Kwaarrk!’

En daarna wilde hij het water niet meer in.

Eerst probeerden ze hem allemaal over te halen, maar Kwakker luisterde niet. Tenslotte zei vader, een hele grote groengele kikker, toen dat je toch als kikker ook in het water moet eten.

‘Poeh, zei Kwakker, ‘ik kan hier óók prima eten hoor’ en hij hapte een dikke bromvlieg naar binnen. Later vertelde zijn moeder hem, dat een kikker het water in moet om eitjes te leggen – dat heet ‘kikkerdril’ weet je wel – maar Kwakker bromde dat alleen meisjeskikkers eitjes leggen.

Tja, daar had hij gelijk in.

Soms probeerden zijn broers hem stiekem in het water te krijgen: ze zeiden dan dat ze gingen vérspringen. Wie het allerverst springen kon. Dan deed Kwakker graag mee, want hij had flinke achterpoten. De broertjes sprongen dan expres naar de sloot toe en hoopten dat Kwakker zo per ongeluk in het water zou springen. Maar Kwakker had zo'n hekel aan water, dat hij altijd goed uitkeek en steeds weer op het gras, op een stuk hout of het blad van een waterlelie terecht kwam.

Zo ging de zomer voorbij en bleef Kwakker helemaal droog.

Als de zon warm werd, zat hij lekker in de schaduw en als het koeler werd, dan sprong hij op een blad of een stukje drijfhout en kwáákte het hoogste kikkerlied. Misschien heb je hem wel eens gehoord, want Kwakker kwam ook veel in die kroossloot daar bij jou in de buurt, je weet wel!

Toen het weer kouder begon te worden was Kwakker inmiddels een grote groene kikker die heel ver kon uitzwaaien met zijn oproltong, want die hebben kikkers, en zo heel wat vliegjes en mugjes te pakken kreeg.

Nog één keer kwamen zijn broertjes en zusjes hem halen.

’Kom nou,’ zeiden ze, ‘je moet nu echt mee het water in, want het gaat vriezen en dan gaan we naar het diepere stuk. Daar is de zachte en warme modder’.

‘Ik wil helemaal niet in het water,’ zei Kwakker, ‘gaan jullie nou maar, ik blijf hier.’

‘Maar straks vriest het, dan ligt er ijs en dan kun je niet meer onder water,’ zeiden de broertjes en zusjes weer.

‘Nou, dat komt goed uit, want ik wil ook niet, ik hou niet van water,’ vond Kwakker eigenwijs en hij keek nét zo lang de andere kant op tot ze allemaal waren weggezwommen.

Eerst vond hij het wel lekker rustig, zo in zijn eentje tussen het langzaam geel wordende riet. Maar het werd wel steeds kouder – en kikkers hebben geen bontjasje, maar een heel kaal en dun velletje …

Toen hij merkte dat er ook geen vliegjes meer waren zodra het bijna vroor en toen er daarna ook rare witte, heel erg koude vlokjes uit de lucht kwamen dwarrelen, toen moest Kwakker toch echt wel op zoek naar een warmer plekje!

Eerst probeerde hij nog een holletje te maken in de zandbak bij een school, want daar was het op zomeravonden altijd lekker warm geweest.

Maar het zand was nu keihard geworden en ook al ijskoud!

Toen dacht Kwakker bibberend, dat hij toch misschien beter onder water kon gaan ... Maar nergens was intussen meer water te zien: op de sloot zat al een laag ijs met wat sneeuw erop. Kwakker was al bang dat hij dood moest vriezen toen een paar eenden hem kwamen vertellen, dat aan de andere kant van de weg nog een wak in het ijs zat. Aan de kant van de speelvijver, waar de eendjes vaak brood krijgen.

Omdat alle auto's heel langzaam rijden als ze bang zijn dat het glad is, kwam Kwakker veilig over de weg heen, maar toen hij het donkere gat in het ijs zag, werd hij tóch weer bang voor water en daarom wilde hij er héél voorzichtig naar toe springen. Maar dat is reuze moeilijk voor een kikker op glad ijs, hè, want een kikker heeft geen schaatsen onder zijn grote platvoeten! Daarom ging het helemaal mis en sprong Kwakker tot vlak náást het gat … en gleed toen dóór!

Plons, daar ging ‘ie – in één keer kopje onder in het water.

Toen merkte hij pas hoe heerlijk dat water was! Want als het buiten hard vriest is het altijd nog lekkerder ónder het ijs dan eróp voor kikkertjes!

Kwakker heeft nog een aardig eind moeten zwemmen: langs de speelvijver, onder het houten bruggetje door, toen linksaf langs het viaduct waar de weg overheen loopt, tot helemaal in de bocht die je vanaf het oude spoorbruggetje kan zien.

Daar in de zachte zware modder hebben ze allemaal de winter doorgebracht: vader, moeder, véértien zusjes en nu élf broertjes, want Kwakker was er ook weer bij. Straks, straks als het weer lekker lente wordt – misschien hoor je dan Kwakker wel weer in de sloot.

Luister dan maar eens, 's avonds als het bijna donker wordt …

‘KwArrrk’

‘KwAAArrrk!’