Sluiten

De graskapper


Wij hebben een tuin. Dat is niet zo gek natuurlijk. Veel mensen hebben een tuin. Hier in deze omgeving tenminste wel. In onze buurt bijna allemaal.

Maar niet alle tuinen zijn hetzelfde. Kijk maar eens goed om je heen. Er zijn kleine tuinen en hele grote, tuinen met heggen en schuttingen erom én andere waar je zo in kan. Er zijn tuinen vol struiken en tuinen waarin je juist lekker op veel gras kunt spelen. Soms zelfs met schommels, zandbakken of een heel zwembad!

Wij hebben een tuin met een stuk gras. Mayke niet. Mayke is mijn buurmeisje. Ze is twee jaar, heeft een rond koppetje met blond haar en wil graag alles goed begrijpen ... Haar tuin ligt vol met straatklinkertjes.

Daarom kijkt ze bij míj nadenkend naar al dat groen onder haar voeten en ook naar het ratelende apparaat dat ik daar overheen aan het duwen ben. En ze wil weten wat ik doe.

‘Gras knippen,’ zeg ik.

Daar denkt ze diep over na: kleine rimpeltjes op haar voorhoofd en haar oogjes half dicht ...

‘Knippen, lekker kort knippen, net als bij de kapper!’ zeg ik. Mayke knikt nu nadrukkelijk. Ze is overtuigd. Want dat heeft ze zelf ook al een keer meegemaakt.

‘Kapper,’ zegt ze knikkend. Haar haartjes knikken wapperend mee.

‘Ik ben de graskapper,’ zeg ik en met wat gewurm stop ik het handvat van de grasmaaier tussen haar priegelige vingertjes. Nu duwen we samen een stukje. De grasmachine ratelt rond en de gras topjes dwarrelen door de lucht. Mayke puft van pure inspanning. Ze is al verschrikkelijk groot, natuurlijk; dat vindt ze zelf in elk geval al wel. Maar om als graskapper een grasmaaier over het hele grasveldje in onze tuin te duwen mag je tóch nog wel wat ouder zijn, eigenlijk.

Vraagje: knip jij het gras ook wel eens? Nooit alleen doen hoor. Want gras maai machines lusten net zo goed teentjes of vingertjes als gras topjes, dus je moet echt heel voorzichtig zijn, want die tenen en vingers heb je nog veel langer nodig!

‘Nu ben jij een echte graskapper!’ roep ik boven het ratelende geluid van de maaier uit naar de rood aangelopen en puffende Mayke. Dat stemt haar tevreden. Het lijkt haar een mooi beroep, begrijp ik.

Zuchtend gaat ze nu op het bielzenrandje langs ons gras zitten. Na gedane arbeid is het zoet rusten. We kijken met aandacht naar het stuk gras dat we samen korter gemaaid hebben.

‘Het kan ook wel met een schaar, natuurlijk,’ breng ik naar voren.

We halen er één en proberen het. Doe dat ook maar eens. Het bevalt niet echt. En je houdt dan ook geen speeltijd meer over, zo langzaam als dat gaat ... Geef ons dus de grasmaaimachine maar.

Samen bestuderen we ook nog wat afgeknipte gras topjes. Die zien er nog frisgroen uit.

‘Zou dat nou zéér doen?’ vraag ik.

Mayke bepeinst dit en besluit nee te schudden.

‘De echte mensenkapper doet ook niet zeer, dus je hebt vast gelijk,’ zeg ik, want je weet nooit wanneer Mayke daar weer eens heen moet natuurlijk. En ik zou niet willen dat ze nu bang wordt voor de kapper.

Dan blijkt het tijd om naar huis te draven. Dat gaat met een zwaai en veel gedribbel. Ze gaat papa en mama vast over haar beroepskeuze vertellen ... of misschien kijken of de klinkertjes in haar tuin óók geknipt moeten worden ...

Ik weet het niet. Maar dat komt later nog wel. Morgen is er weer een dag. En misschien ook weer een buurmeisje.

Rond en blond en heel weetgierig.

Van beroep: graskapper.

Sinds kort.