Sluiten

Boven- beneden- en onder water


Dit verhaaltje gaat over water. Buitenwater vooral. Of, nog preciezer: het buitenwater dat van boven komt!

Soms komt het als sneeuw, want dat is pluizig bevroren water. Soms komt het omlaag als hagel, dat is korrelig bevroren water. En soms komt het ook wel als mist, eigenlijk héél fijn verdeeld water. Maar meestal komt het water naar beneden in natte druppels. Als het heel véél druppels tegelijk zijn, dan zeggen we: “het regent pijpenstelen”, of, “het stort!” Al het andere neerkomende water noemen we gewoon: régen. De weermannen en –vrouwen zeggen de ene keer “regen” en de andere keer “buien”, maar dat is klets hoor – want daar wordt je even nat van!

Nu houden planten erg van water. Lekker met hun voetjes in de modder. Daar worden ze groot en groen van. Maar wij mensen houden veel minder van die nattigheid. We houden niet van natte voeten en al helemaal niet van glibberen door de modder. Of de bocht uit glijden met de fiets ... Tegen die modder hebben we hogere looppaden gemaakt: de stoep. En rijbanen: de weg. Met steentjes, asfalt en tegels.

Dan zit je dus nooit in de modder. Maar als het veel regent komen daar toch ook problemen van. Want al dat water dat over die tegels of over dat asfalt stroomt, dat kan niet in de grond zakken. Het kan dus niet weg. Dan zouden er steeds grotere plassen komen. En dan kregen we toch nog hele natte voeten ... Daarom zijn we heel slim geweest: we hebben overal watertunnels gemaakt! Overal waar straten en stoepen zijn. Let maar eens op bij de stoepranden, dus op de grens van de weg en de stoep: telkens zit daar een roostertje met een putje er onder. Dáár kan het regenwater z’n tunneltje in.

Maar daar houdt het niet mee op. Al die kleine tunnels langs elke straat, die komen weer samen in grotere tunnels, waar veel meer water doorheen kan. Die tunnels kun je ook vinden als je weet waarnaar je moet zoeken; je vindt dan hier en daar grote ijzeren deksels, soms midden op de straat! Tussen twee van zulke deksels loopt in de grond dan zo’n hele grote watertunnel. En al die grote tunnels komen weer uit in een beek, of in een rivier of een kanaal. En die beek, die rivier of dat kanaal, die stromen allemáál dan weer naar de zee. Handig, hè?

Dat gebeurt niet alleen met dat vele water van een geweldige regenbui, maar ook met dat kleine beetje water van jouw plasje in de WC. Want als jij de WC doortrekt, spoelt jouw plasje samen met het spoelwater ook die tunnels onder de straat in en komt het heel veel later ook in zee uit! En weet je wat er dan gebeurt? Als de zon dan gaat schijnen, dan wordt het zeewater warm. En dan gaat het bovenste laagje water weer als damp de lucht in, net zoals wanneer de fluitketel fluit. Veel van die waterdamp worden weer dikke wolken. Die dikke wolken vol waterdamp kunnen op de wind weer naar jou toe drijven. En daar uit kan het bij jou weer gaan regenen.

Dan begint alles dus weer opnieuw. Handig, hè? Alles gaat steeds in kringetjes rond: boven water valt naar beneden water en stroomt weg als ondergronds water. Dan wordt het beek water, kanaal- en rivier water. Tenslotte zee water, waterdamp en wolken water.

En zo ga jij ook in een kringetje rond. Want gistermiddag heb je gespeeld en gisteravond ging je naar bed. Vanmorgen stond je weer op en vanmiddag heb je gespeeld. En zo dadelijk ga je weer ... Precies!

Welterusten.