Sluiten

Betje Boenwas


Dit verhaal gaat over Betje. Over Betje Boenwas en over Piraten … Piraten, dat zijn Zeerovers, hè – maar die komen later pas, dat zul je wel merken.

Het verhaal begint in een vissersstadje aan zee. Een vissersstadje zoals Urk, of Scheveningen, of Harlingen, of Vlissingen, of … Ben jij wel eens in een vissersstad geweest?

Dit vissersstadje is niet zo groot. Het heeft veel smalle straatjes en bijna alle huisjes zijn er van hout, want dit verhaal speelt al een tijd geleden. Al die huisjes leken wel een beetje op elkaar. De één was iets groter dan de ander natuurlijk, of er zaten iets grotere ramen in. Of het stoepje bij de voordeur was iets hoger of iets lager. Of er hingen bloembakjes aan. Of er stond een boompje voor. Maar verder leken ze toch wel érg op elkaar …

Er was één huisje dat was – als je goed keek – wel een beetje bijzonder. Het zag er net zo uit als al die andere huisjes, maar er zat niet één spinnenwebje aan de zijkant of in de hoek van het raam. En ook niet één groen plekje op de regenpijp of op de stoep. Er was zelfs geen stofje te zien op de vensterbanken en zélfs niet in de dakgoot! Echt waar, zelfs de dakpannetjes zagen er allemaal schoon en glimmend uit.

Dat kwam omdat daar Betje Boenwas woonde! Natuurlijk heette Betje helemaal geen Betje Boenwas. Ze heette eigenlijk gewoon Betje Visser. Maar omdat ze altijd zo verschrikkelijk aan het poetsten was, omdat ze alles altijd steeds maar weer grondig schoon maakte en het bij Betje altijd rook naar boenwas en groene zeep, daarom noemden alle mensen haar inmiddels Betje Boenwas. Dat vond Betje niet erg hoor, daar was ze helemaal aan gewend.

Betje Boenwas poetste haar huisje dus niet alleen van binnen. Nee, Betje poetste het ook van buiten! En ze poetste niet alleen de ramen, de deur en soms het geverfde hout, zoals de meeste mensen wel eens doen, Betje poetste óók de regenpijpen en de dakgoten – tot ze glommen als spiegeltjes!

En minstens één keer in de maand klom Betje ook nog op het dak, want ze vond dat haar dakpannen en schoorsteen ook wel eens een schoonmaakbeurt mochten hebben … ‘Zo,’ zei Betje dan al schrobbend, ‘Dat ruimt lekker op!’

De mensen in het dorp dachten natuurlijk wel, ‘Die Betje is niet goed wijs, want wie schrobt er nu dakpannen of sopt goten uit?!’ Maar ze waren ook gewend geraakt aan Betjes’ ijver en, ach, Betje was heel aardig verder … Bovendien, het hád eigenlijk ook wel wat, zo’n versgepoetst huisje in hun straat! Betjes’ huisje viel gewoon direct op - omdat het zo glom en geurde!

Dat merkte ook die schipper die daar op een dag langskwam. Hij keek er nog eens naar en vroeg toen aan de mensen, ‘Wat glimt dat huisje! Is het pas nieuw gebouwd of net geverfd?’

‘Oh, nee hoor,’ zeiden de mensen, ‘Het is al oud, maar het hoeft niet geverfd te worden of zo, want dáár woont onze Betje Boenwas en die houdt alles altijd helemaal schoon!’

‘Hè,’ zei de schipper, ‘Het hele huis?!

‘Ja hoor,’ zeiden de mensen, ‘Betje poetst echt alles!

‘Pas maar op dat je je petje op houdt, anders poetst ze je kale hoofd er nog bij,’ riep er één, om de schipper te plagen. De schipper kreeg een beetje een rood hoofd bij dat geplaag, maar hij dacht wel bij zichzelf, ‘Zoiets zou voor mijn schip wel handig zijn. Daar zitten we al jaren op met alleen maar stoere kerels – en die zijn niet zo schoonmakerig. Die matrozen van mij willen best hard werken maar van nètjeshouden hebben ze echt geen verstand, dat zie ik nu wel aan dit huisje. Eerlijk gezegd is het op mijn schip gewoon een zootje, dat moet ik toegeven. Ja, een vrouw die van poetsen houdt zou erg welkom zijn!’

Hij stapte daarom het blinkende stoepje op en trok aan de glimmend koperen bel. Betje deed onmiddellijk open.

‘Hé, wat moet dat? Kun je geen handschoenen aan doen als je aan mijn bel trekt? Zó komen er vette vingers op!’ foeterde Betje al meteen tegen de schipper.

‘Uh, pardon dame,’ zei de schippers en zijn hoofd werd nog wat roder. Hij zette zijn petje af en hoopte maar dat z’n kale kop niet zou worden gepoetst … ‘Dame,’ zei hij daarom haastig, ‘Ik kom u een baantje aanbieden!’

‘Een baantje?’ zei Betje, ‘Een baantje? Ik heb geen tijd! Ik ben hier nog niet uitgepoetst, ik moet nog wat uitwrijven en daarna moet ik nog boenen ook. Ik heb echt nog een heleboel te doen en … ’

‘Maar het glimt hier echt al heel aardig mevrouw,’ onderbrak de schipper haar, ‘En u kunt er natuurlijk ook wel wat mee verdienen!’

‘Oh,’ zei Betje, ‘Oh ja? Tja, eerlijk gezegd, wat verdienste kan ik wel gebruiken. Tenslotte is al die groene zeep ook niet goedkoop en de boenwas al helemaal niet. En als je een béétje redelijk schoonmaakt is het allebei zó weer op. En dan heb ik ’t nog niet eens over de afwaskwasten, de sponsjes, de zemen en de dweilen. En … ’

‘Túúrlijk, tuurlijk,’ viel de schipper in, ‘Ik weet het goed gemaakt: als u één reis met mij wil meegaan, dan krijgt u van mij bijvoorbeeld 10 nieuwe emmers, 27 sponsjes, 5 dweilen, een kilo groene zeep en 4 bussen boenwas. Toevallig hebben we ook nog een grootverpakking nooit-gebruikte zemen liggen, meen ik. Eigenlijk zit alles nog bijna ongebruikt in de verpakking. Want ziet u: mijn schip wordt eigenlijk nauwelijks gepoetst. Wij stoere zeelui zijn daar niet zo goed in ... ’ En de schipper zijn hoofd werd wéér een beetje roder toen hij dit toe gaf.

Maar Betje zag dat niet. Zij fleurde zichtbaar op! ‘Is het er smérig?!’ vroeg Betje gretig aan hem.

‘Nou, uh, smérig … het is in elk geval niet zo erg schoon,’ mompelde de schipper.

‘Goed vies dus!’ reageerde Betje vrolijk, ‘Een typische mannen zwijnenboel!’

‘Tut-tut,’ pruttelde de schipper tegen, ‘Een mannenboel ja, maar om het nu meteen een zwijnenboel te noemen ... ’

‘Nou ik denk er nu al het mijne van,’ zei Betje, ‘En u zei: 10 emmers en hoeveel sponsjes ook al weer en hoe zat ’t met … ’

‘Ik schrijf het allemaal wel voor u óp dame,’ zei de schipper, ‘En bovendien krijgt u dan van mij dan nog twintig daalders als de reis voorbij is en we hier terug zijn.’

Betje dacht hierover even diep na. ‘En hoe lang gaat de reis duren?’ vroeg ze.

‘Nou, we gaan langs de kust richting Frankrijk en dan steken we naar Engeland over, want daar hebben we nog wat af te leveren en daarna vissen we een dag of wat, enne … Al met al een week of anderhalf, denk ik,’ zei de schipper.

‘Een week of anderhalf, dat zou wel kunnen als … ’ dacht Betje en toen zei ze, ‘Dan haal ik mijn neef en zijn vrouw in mijn huisje, want die is ook nog wel een béétje netjes! Ziet u, de andere mensen hier zijn wel heel aardig hoor, maar ze poetsen echt véél te weinig. En zo slordig, hè. Als ik u nu toch vertel … ’

‘Dus u doet het!?’ brak de schipper in.

‘Ja!’ zei Betje, ‘Geeft u me even tijd, dan praat ik met mijn neef en pak ik daarna wat spullen in … ’

Ruim twee uur later liepen Betje en de schipper in de richting van de haven. De schipper droeg een grote, zware tas, want Betje had behalve wat kleding, een tandenborstel en dat soort dingen toch ook maar een partij schoonmaakmiddelen ingepakt – voor alle zekerheid!

Zodra Betje het schip zag, begon ze meteen van, ‘Oh, ik zie ’t al: dáár moet heel dringend gesopt worden! Wáár is er hier water!?’

‘Om het schip heen,’ bromde de schipper die dat een stomme vraag vond.

Betje keek hem vernietigend aan, ‘Schóón water bedoel ik, schoon water!’

‘U moet nog veel leren, dame,’ zei de schipper, ‘Schoon water daar drinken we aan boord van en we koken er in. Maar op een schip gebruik je zeewater voor alle andere dingen, zoals de WC’s doorspoelen en ook emmers vullen om te dweilen.’

‘Hm, ik dacht al: er zal wel weer een addertje onder het gras zitten,’ zei Betje een beetje snibbig, maar ze pakte toch gauw wat spullen uit en begon onmiddellijk te boenen. In haar nopjes, want als er geen beginnen aan leek, dán kreeg Betje er juist extra zin in om eens flink aan te pakken.

Dus dat had die schipper goed geschoten. Hij dacht,‘We varen vlug weg, voordat ze van gedachten verandert,’ liet daarom de trossen losgooien en … daar gingen ze.

Eenmaal wat verder op zee werd het nevelig weer, je zag steeds minder ver. Tegelijk trok de wind wat aan. En dat mérkte je op dat schip, want toen hadden alle schepen nog zeilen. Ook de vissersboten en de vrachtschepen. Het was al schemerig toen er ver voor hen uit een donkere vlek zichtbaar werd.

‘Land in zicht!’ riep de matroos die dat ’t eerst zag.

‘Sinds wanneer vaart het land ook al?’ vroeg de stuurman even later toen hij beter gekeken had en zag dat de vlek schuin op hen af kwam, ‘Pak de kijker, joh!’

De matroos zocht zo’n grote uitschuifbare verrekijker op, zette die voor zijn beste oog en keek nog eens goed. ‘’t Is een schip,’ gaf hij toe.

‘Wat voor schip?’ vroeg de schipper.

‘Nog te ver weg en al te donker, maar hij komt snel dichterbij … Wacht eens. Nee toch?’ zei de matroos al turend, maar toen begon hij te schreeuwen: ‘JA TOCH WEL! WEG HIER, HET IS EEN PIRATENSCHIP, ZEEROVERS. WEGWEZEN!’ De matroos tuimelde van schrik haast overboord terwijl hij dit riep.

‘Wegwezen? Hoe dan?! We hebben alle zeilen al op. En hij is gewoon sneller,’ riepen de stuurman en de schipper door elkaar heen terwijl ze zenuwachtig de zeilen nog wat aantrokken en pal van de wind af stuurden. En ze hadden gelijk, langzaam maar zeker haalde het Piratenschip hen in …

‘Allemaal van boord!’ riep de schipper dan ook even later, toen hij zeker wist dat ze zouden worden ingehaald: ‘Allemaal in de reddingboot en weg roeien, vlug. Als we aan boord blijven gooien ze ons zomaar in zee om ons schip in te pikken. Dus wegwezen. In de reddingsboot en roeien!’

Ze takelden de kleine boot boven water, lieten hem aan twee touwen naast het schip in zee plonzen en klommen er in. De schipper keek over zijn schouder, zag Betje nog boenen en riep: ‘U ook mevrouw, gauw!’

‘Nee, nee, daar komt niets van in! Ik ben nog láng niet klaar. Dit schip is nog helemaal niet schoon!’ riep Betje terug, ‘Wat moeten die Piraten zo wel niet van me denken?’

De schipper werd woedend. ‘Als de donder deze boot in, dame,’ bulderde hij, ‘Die Piraten zijn gevaarlijk. U moet wegwezen dus!’

Maar Betje gaf geen krimp. ‘Als ik ergens aan begin, dan maak ik het ook af!’ zei ze, ‘En dit is nog lang niet af. Dus gaat u maar met uw roeibootje spelen: IK maak gewoon dit schip schoon.’

Hoe de schipper ook schreeuwde en tierde, Betje wou niet mee en ze ging gewoon door met poetsen. Intussen kwamen de zeerovers steeds dichterbij. Plotseling gaf de schipper het op.

‘Dan moet u het zelf maar weten. Mannen: roeien!’ riep hij terwijl hij ook in het bootje sprong en zo verdwenen ze aan die kant in het donker terwijl aan de andere kant het Piratenschip naderde.

Even later hoorde Betje roepen: ‘Enteren!’ En daar sprongen verschillende kapers aan boord.

De kapitein van de zeerovers zag er ook echt naar uit: hij had een houten been, een lapje voor één oog en – een grote rode baard! Hij beende naar het midden van het schip en begon rond te schreeuwen: ‘Waar hebben jullie je verstopt? En waar is de handel? Is er toevallig ook goud aan boord? Kom je ’t netjes brengen of moet ik ’t soms zélf komen halen? Nou, komt er nog wat van?’

‘Stel je niet zo aan,’ zei Betje, die ze nog helemaal niet gezien hadden omdat ze net achter twee teertonnen het dek aan ’t poetsen was. ‘Ik ben hier alleen nog maar en ik weet daar allemaal niks van. Als het nou nog over schoonmaken ging … ’

De kaperkapitein verschoot van kleur. ‘Wie durft daar zo te praten tegen mij, Kaperkapitein Roodsik, schrik van de Zeven Zeeën?!’ bulderde hij in de richting van het geluid van Betje.

Betje ging staan, ze kwam tevoorschijn met een dweil in haar ene hand en een doos groene zeep in de andere. ‘U hoeft niet zo te schreeuwen hoor, ik versta u best. Ik ben gewoon nog niet klaar,’ zei Betje.

De Kaperkapitein en zijn bemanning wisten niet hoe ze ’t hadden. ‘Een d... een d... een dame,’ stotterde de Kapitein tenslotte. En hij kreeg een nog veel roder hoofd. Want hij brulde wel tegen zijn eigen mannen en die van veroverde schepen, voordat hij die overboord kieperde dan, maar hij ging nooit met dames om – en daarom werd hij nu op slag verlegen.

‘Ja, de schoonmaakdame,’ zei Betje, ‘Hoor eens hier, u mag hier gerust wat ronddraven en voor mijn part ook nog wat schreeuwen. En u mag het schip gerust hebben óók, het is tenslotte niet van mij, maar het moet wel schoon. En dat is het nog niet. En daarom ga ik er niet af, zoals alle anderen. Die zijn trouwens allang weg. Als alles schoon is kunt u mij rustig weer bij mijn huisje afzetten hoor, maar nu ga ik eerst maar even verder.’ En met die woorden verdween ze weer achter de tonnen om gewoon door te poetsen.

De kaperkapitein had nu de donkerrode kleur van zijn baard. ‘Bij uw huisje afzetten?!’ riep hij na tien keer diep inademen tenslotte grommend, ‘Bent u nu helemáál … ’

‘Nee,’ praatte Betje kalm van achter haar tonnen terug, ‘’k ben juist helemaal niet. Niet klaar, bedoel ik. Gaat u dus gewoon door met Kapen – ik poets.’

De kapitein wist zich geen houding te geven, daarom draaide hij zich naar de andere kapers toe en riep: ‘Wat staan jullie daar stom te grinniken? Doorzoek het schip! Alle waardevolle zaken aan dek! Vind het goud!’

Haastig dook iedereen nu het ruim en de hutten in om het schip te doorzoeken. Ze vonden geen goud, maar wel wat andere spullen en merkten ook dat er behalve Betje inderdaad niemand meer aan boord was.

‘Dan pikken we ’t schip maar in, dat brengt ook wel wat op,’ zei Roodsik, ‘Hendrik, Klaas en jij, Vendel: jullie blijven hier en varen het schip achter ons aan!’

Toen keek hij naar Betje en zei zuchtend, ‘En laat die dame dan maar door poetsen als ze daar nu zo van houdt … ’

En zo gebeurde het. De drie mannen voeren het schip en Betje poetste door.

Dat ging een paar dagen goed. Maar in die paar dagen begon Betje zich steeds meer op te winden. Want de kapers waren volgens haar grote smeerkezen. Als ze een appeltje aten, dan gooiden ze zomaar het klokhuis neer. En ook afgekloven botjes belanden ergens tussen de touwen op het dek. En nu mag je zelf raden waar de visgraten bleven na het eten …

Als Betje er wat van zei, dan lachten ze haar vierkant uit en gingen ze gewoon op dezelfde manier verder. En toen ze op een keer zomaar een kookvuurtje hadden gestookt op een ijzeren plaat die ze op een stuk van het dek hadden gelegd dat ze nét helemaal klaar had, toen had Betje er schoon genoeg van. En nu bleek dat Betje wel goed, maar niet gek was: ze bedacht een heel slim plan!

Ze wachtte rustig op een winderige dag. Die kwam al gauw, in de verte kwamen er steeds donkerder wolken op het schip af. Betje bedacht: ‘Als er harde wind op steekt gaat het schip vast geweldig slingeren.’

Het was bijna midden op de dag en Betje had alles goed voorbereid. Nu zei ze tegen de drie mannen, ‘Ik heb zo net extra lekkere kippenpootjes gebraden. Die had ik al een paar dagen in een eigen braadsausje gezet. Dan eten jullie ook eens lekker. Tja, er is nu een vrouw aan boord, hè, dat maken jullie niet zo vaak mee. Ik heb trouwens ook nog een fijn flesje brandewijn gevonden dat smaakt er vast goed bij. Er zit ook wat van in de braadsaus, dus is het extra lekker bijelkaar. Je vind de tafel gedekt in de oude kapiteinshut. Eet smakelijk!’

Dat lieten die drie zich geen twee keer zeggen. Ze wisten niet waar ze deze verwennerij aan te danken hadden, maar daar dachten ze niet lang over na ook. Eerst wilden ze nog iemand aan dek houden, de keuze viel op Klaas, maar toen Betje zei dat ze het dek nog wel even bleef boenen en hun wel zou waarschuwen als er iets aan kwam, zetten ze haastig de zeilen en het stuurwiel met extra touw goed vast en doken de kapiteinshut in. Daar aten ze en dronken ze en deden ze er als vanzelf een klein middagtukje achteraan … tja, die brandewijn ook, hè?

Zodra de drie verdwenen waren had Betje intussen het dek ingezwabberd met alle groene zeep die ze had kunnen vinden. En daar bovenop strooide ze, voorzichtig met blote voeten over de groene zeep glibberend, nog kleine kloddertjes boenwas. En ze had vooraf al grote emmers water rondom bij de reling klaargezet.

Zodra de wind verder aantrok en het schip meer begon te slingeren gooide Betje al die emmers water over de groene zeep en de boenwas op het dek, kroop voorzichtig op handen en knieën naar de ingang van het onderschip en riep zo hard ze kon, ‘Mannen, we krijgen storm én er komt ook een schip aan!’

Er klonk nu hevig gestommel uit het vooronder en even later kwamen de mannen achter elkaar het dek op stuiven. ‘Waar, welk schip? En waar is … ’ riepen ze nog.

Maar veel verder kwamen ze niet. Zwiep zwiep zwiep. ‘Hola!’ Zwiep zwiep. ‘Hé!’ Zwiep zwiep zwiep … Hun voeten zwiepten alle kanten uit op dat spekgladde dek!

Ho, Help, Wat is dit? Wat heeft u gedaáááá…’ Plons! Daar ging de eerste piraat overboord.

‘Dat is één,’ telde Betje.

Gauw: een touw!’ riep de tweede kaper, Pak iets! Help, ik glij-ij-ij-ij-ij … ’ Plons!

Kleurplaat

‘En dat is twee,’ zei Betje vanaf de deur.

Maar waar was nummer drie? Matroos nummer drie, Hendrik, die had geluk gehad. Hij was recht tegen de grote rol ankerketting aan gegleden en hield zich daar nu krampachtig aan vast.

Betje dacht even na en kroop toen op handen en voeten langs de railing naar voren tot waar de hendel voor het anker zat en zei, ‘Zal ik het anker maar uitgooien?’

‘Nee mevrouw,’ riep Hendrik angstig, ‘Doe dat nou niet. Ik kan niet zwemmen!’

‘Waarom zou ik je er niet afgooien?’ zei Betje, ‘Jullie zouden mij heus niet hebben thuisgebracht, maar me er ook rustig hebben afgegooid als jullie me zat waren, denk je niet? En bovendien blijven jullie maar troep maken aan boord, zo kom ik nooit eens klaar hier. Nu kan ik het eindelijk eens afmaken.’ En ze pakte de hendel.

‘Nee, dame, alstublieft,’ riep Hendrik, ‘Help! Weet u wat: ik beloof u thuis te brengen. Ik vaar u zelf naar huis. Dat kan misschien net met z’n tweeën. Echt! Ik beloof het! Help!’ en hij keek angstig naar het water achter zich. Hij vervolgde, ‘En u mag op rustige dagen gewoon doorpoetsen ... En lekker koken ook … Help!’

‘Meen je dat nou,’ vroeg Betje, ‘Van dat naar huis varen, bedoel ik?’

‘Jaaaa!’ hijgde Hendrik, ‘Echt waar. Hier … ’ hij liet met één hand de rol anker-ketting los trok z’n lange houten piratenpistool uit z’n omgeknoopte gordel en stak het omgekeerd naar Betje toe.

‘Pak maar aan,’ zei hij, ‘Ik doe er toch niks mee, ik ben ook een Piraat van niks!’

Betje pakte het pistool aan.

‘Wacht even,’ zei Hendik toen, ‘Ik heb ook dit nog,’ – en hij trok een flink mes uit zijn laars. ‘Dat was echt alles,’ zei hij, ‘Eigenlijk wil ik u wel graag thuisbrengen ... ’

Betje keek er van op. Met een schort vol pistool en mes gaf ze de matroos toestemming om voorzichtig naar de deur terug te kruipen. En vertelde hem daarna hoe ze samen met veel zeewater de gladde smurrie weer van het dek konden poetsen. Dat werd er bovendien heel mooi van, vond Betje. Schoon én glimmend en nog maar een klein beetje glad.

Hendrik moest leren eerst zijn laarzen uit te doen: op blote voeten was het minder glad. En het bleef met z’n tweeën ook veel schoner – en dat vond Betje heel belangrijk.

Het viel niet mee om met z’n tweeën het schip te varen. Maar het lukte ze toch.

En Hendrik beviel het steeds beter om alleen met Betje op dat schip te zijn. Er werd niet tegen hem geschreeuwd. En er werd véél lekkerder gegeten. En alles een beetje frisser: hijzelf, z’n kleren en het hele schip, dat begon hem ook wel te bevallen.

Maar wat hem het meest beviel, dat was Betje zelf. Nu ze zo hard moesten samenwerken om ‘t schip te varen leerde hij haar goed kennen. Ze was dan wel poetsgek, maar je kon ook vreselijk met haar lachen, merkte hij. En ze was ook heel goed in spelletjes. Kortom, Hendrik werd steeds minder piraat en juist steeds huiselijker, ook al was ’t op een boot.

En Betje leerde Hendrik kennen. Ze vond die eigenlijk best leuk, nu hij niet meer tussen de rovers zat. Daar dacht ze achter het fornuis eens goed over na toen Hendrik van boven riep, ‘Land in zicht!’ en hij riep er achter aan, ‘Nog maar een halve dag dame, dan bent u weer thuis.’

‘Dan hebben we deze vast niet meer nodig,’ zei Betje tegen Hendrik toen ze aan dek was geklommen en ze gooide zijn pistool en het mes zomaar overboord.

Hij keek verlegen en zei, ‘Ach nee, dame. Ik wil ze al helemaal niet meer hebben.’

‘Noem me dan maar Betje,’ zei Betje, ‘Al ben ik óók graag een dame.’

‘Hendrik,’ zei Hendrik en hij stak een – nu schone – hand uit. Betje keek nu wat verlegen maar ze drukt de hand wél.

‘Ahum, laten we dan eerst maar gaan aanmeren,’ zei Hendrik en hij draaide zijn hoofd gauw af, zodat Betje niet zou zien hoe rood zijn wangen waren geworden …

Het gaf een heel spektakel in het stadje toen ze daar aan kwamen varen, want wat was er gebeurd: de kapitein en zijn bemanning was het gelukt om naar het land te roeien en toen ze terug waren in het stadje hadden ze daar natuurlijk verteld dat het schip door Kapers was overvallen en dat alleen Betje toen nog aan boord was. En nu kwam hun eigen schip daar zomaar helemaal heel aanvaren met alleen Betje en nog één matroos aan boord! Dáár keken ze van op!

Ze keken er nog meer van op toen die matroos, nadat hij het schip met touwen had vastgelegd Betje een hand gaf en ‘Jammer,’ zei.

‘Waarom jammer?’ zei Betje verbaasd, ‘Dit is toch heerlijk! Ik ben weer thuis. En daar is het nog schoner dan op het schip. En het wiebelt er niet de hele tijd. En het is gemakkelijker boodschappen doen, dus dan kan ik nóg lekkerder koken ... ’

Hendrik keek naar de grond. ‘Ik bedoel jammer omdat we dan niet meer samen lekker eten,’ bromde hij zacht.

Maar Betje verstond het gelukkig toch. ‘Ach gekke Hendrik,’ zei ze, ‘Dan ga je toch lekker met mij mee. Veel gezelliger ook. Wat moet je nou toch alleen op zo’n boot?’ Ze voelde wel dat ze rood werd toen ze dat zei. Vooral ook omdat er inmiddels heel wat mensen om hen heen op de kade stonden.

Maar toen ze zag dat Hendrik haar blij verrast aankeek én natuurlijk ook omdat haar buren en andere stadgenoten haar allemaal heel verbaasd en nieuwsgierig stonden aan te kijken, slikte ze een keer, keek toen om zich heen en vervolgde luidkeels, ‘Kijk eens beste mensen, dit is Hendrik. Wij hebben elkaar onderweg leren kennen. Hendrik is eigenlijk een soort zeeman, maar hij komt nu bij gewoon bij mij inwonen!’ Daarbij keek ze alsof zoiets elke dag wel op de kade gebeurde en dus héél gewoon was en toen zei ze tegen Hendrik, ‘Pak je spullen maar, dan zal ik je mijn huisje laten zien.’

‘Graag dame, uh, Betje,’ stamelde Hendrik en hij haastte zich om te doen wat ze zei.

En ze leefden nog lang en gelukkig. Tenminste dat denken de stadsgenoten wel. Want Betje is veel minder met poetsmiddelen rondom het huis te vinden. En op het dak of in de goten al helemaal niet. Dat verbaasde de buren eerst wel. Maar later dachten ze, ‘Ach ze heeft nu vast iets anders om handen. Misschien is het binnen wel veel te gezellig om nog naar buiten te willen.’

En dat zou best eens waar kunnen zijn.