Sluiten

Beetje beestje


Dit verhaal begint met Jan. Een doodgewone naam: Jan. Niet zoiets ingewikkelds als sommige andere kinderen, die bijvoorbeeld Dick Maarten Hendrik of Louise Charlotte heten. Misschien heet jij ook wel ingewikkelder, want hoe heet jij voluit?

Jan heet dus enkel: Jan. Kort en duidelijk zou je denken. Toch zeiden ze op straat en op school altijd: Jan Jubel! Natuurlijk heet Jan niet echt zo. Hij heet gewoon Jan Hoekstra. Maar hij is wel een heel erg vrolijke Jan.

Dat begon ’s morgens meteen al. Want als bijna iedereen nog lekker in bed lag en Jan wakker werd, dan sprong hij onmiddellijk uit zijn bed. Hij haalde eens flink adem en … knalde er dan de laatste tophit uit of een ander lied dat hij mooi vond.

En meteen maar op vol volume ook. Nou, dan krijg je het aan de stok met je huisgenoten, dat snap je wel. Maar hoe Jan z’n vader en z’n moeder en z’n zusje ook mopperden dat hij ze nog even met rust moest laten en vooral z’n klep dicht moest doen: het hielp niks. Jan zong altijd!

Zelfs als het regende en waaide en bijna iedereen chagrijnig door de ramen keek omdat ‘ie zo naar school of werk moest dan stapte Jan vrolijk door de regen met zijn hoofd omhoog en z’n haren kletsnat en zong hij daarbij het hoogste lied. Er waren natuurlijk wel mensen die dat flink en prachtig van Jan vonden, maar er waren er nog meer die er knap chagrijnig van werden. Bijvoorbeeld al de kinderen die helemaal geen zin hadden om door de regen naar school te gaan. Zij ergerden zich dan groen en geel aan de vrolijk zingende Jan. Mede daarom had Jan niet zo heel veel vrienden. Maar dat kon onze Jan ook al niet schelen, want hij is een erg eigenwijs jongetje!

Jan had maar één echte grote hobby. En dat was: de natuur. Hij hield bijvoorbeeld van konijnen en van vogelnestjes. Niet om uit te halen natuurlijk, maar om er in te kijken: van wat voor vogeltje ’t was, hoeveel eitjes er in lagen, hoe lang ze er over deden om uit te komen, enzo. Jan vond alles in de natuur reuze interessant.

Op zekere dag dwaalde Jan, ruim voor schooltijd want hij was door die uitslapers thuis weer eens de deur uitgejaagd, neuriënd door de natuur toen hij sporen vond waarvan hij dacht dat ze van een vos waren. Dus Jan er achteraan natuurlijk, want zo hoopte hij bij die vos z’n hol te komen. Het was wel wat ongewoon vond Jan toen hij de sporen al verder volgde, want het werd hier juist steeds steenachtiger grond met veel grind ook, niet echt een plek om een hol in te graven … Zo kwam hij uit bij een lage heuvel met een steile zijkant vol keien en boomwortels, waarin een donkere spleet zat – en daarin verdwenen de sporen.

‘Daar kan ik niet bij,’ mompelde Jan tussen zijn geneurie door, ‘veel te smal.’

Maar de spleet leek meer naar binnen wel wat wijder en ook wat hoger te worden. Jan nam zich voor direct na schooltijd dit eens verder te onderzoeken. En dat deed hij. Met een flinke schep in de hand. Het kostte heel wat werk aan afsteken, stenen loswrikken en wortels doorsteken maar naarmate hij zich wat verder in de opening werkte werd die inderdaad wijder en hoger, zodat hij na een halfuurtje ploeteren wel dacht er zélf ook in te kunnen kruipen.

Toen hij een half metertje gevorderd was probeerde dieper naar binnen te kijken. Maar nu hij zelf voor het daglicht zat werd al gauw heel donker in dat gat. Hij had er nu spijt van dat ‘ie er niet aan gedacht had een zaklamp mee te nemen. Maar Jan was heel nieuwsgierig en zo hoort het ook, want wie niet nieuwsgierig is leert bijna nooit iets! Dus staakte hij het liedje waar hij net aan begonnen was en kroop kreunend tussen alle wortels en steen punten door steeds dieper het donkere gat in.

Er zat een soort gang achter, want hij kon almaar verder kruipen en het werd al gauw zo ruim werd dat dat ook steeds gemakkelijker ging. Jan begon zich nu wel af te vragen of dit wel een vossenhol was. Waarschijnlijk toch niet. Er woonde vast ooit iets groters in. Een das misschien. Of nóg groter … iets engs, iets gevaarlijks misschien? Jan aarzelde nu wel even. Maar zijn nieuwsgierigheid won.

‘Er zitten hier geen beren of zoiets,’ dacht Jan en hij kroop dapper verder.

Nu jubelde hij helemaal niet meer, zelfs neuriën deed hij niet. Want als het werkelijk aardedonker om je heen is, dan houd je je heel stil om te luisteren. Jan ging zelfs heel zachtjes ademen en hij spitste zijn oren. Daar in die heuvel in het stikkedonker werd Jan ondanks zijn vrolijke karakter toch langzaamaan wat zenuwachtiger.

Hij schrok dan ook geweldig toen er plotseling iets tegen zijn schouder stootte en er een geweldig gepiep en gekrijs ontstond! Hij schoot geschrokken overeind, stootte daarbij zijn hoofd krachtig tegen het plafond en dacht toen pas, ‘Stom. Dat had ik kunnen raden. Gewoon vleermuizen natuurlijk. Tja, een donkere ruimte, hè, geef ze eens ongelijk.’ Maar hij was toch wel zo geschrokken dat hij achteruit het hol weer uitkroop en dacht, ‘Een volgende keer met een zaklamp verder kijken.’ Al wrijvend over de buil op z’n hoofd ging hij dus maar op huis aan, luid zingend natuurlijk, want daar was hij Jan Jubel voor.

De volgende dag kroop Jan opnieuw de nauwe opening van zijn pas ontdekte hol in. Maar nu met zaklamp. Hoe verder hij kwam, hoe verbaasder hij rondkeek! Het hol leek steeds meer op een soort gang. De wanden werden steeds gladder, breder en hoger. Alles leek wel door iets gladgestreken, zonder uitstekende wortels of stenen. En ook het plafond zag er stevig aangestampt uit. De tunnel was niet op alle plekken even hoog of breed, maar nergens meer zo smal of zo laag dat Jan er niet door kon. Het leek hier en daar zelfs of er wat versieringen waren aangebracht: ronde witte stenen in figuren en rijtjes glimmende stenen. Jan liet de zaklamp schijnen op de wanden en het plafond en keek z’n ogen uit. Hij had beter ook wat vaker voor z’n voeten kunnen schijnen want nu zag hij niet op tijd dat de gang opeens schuin omlaag ging …

Plotseling zat er geen grond meer onder de voet die hij vooruit zette! Jan ging onderuit, smoorde een kreet van schrik en gleed toen zomaar omlaag. En dat ging steeds sneller! In een flits bedacht Jan dat zijn moeder niet blij zou zijn met hoe z’n broek eruit zag als hij beneden was.

Als hij beneden was? Er was nog helemaal geen beneden! Het ging nu wel iets minder hard, maar zich ergens aan vast grijpen lukte niet. Hij gleed steeds dieper de aarde in. En z’n zaklamp – die was ‘ie allang weer kwijt. Die kletterde ergens achter hem aan en scheen vast niet meer. En hij gleed maar, en hij gleed maar door. Weer iets minder schuin nu. Opnieuw probeerde Jan zich tegen te houden. Eventjes had leek hij houvast te krijgen, toen gleed hij weer weg. Nog een keer. Bijna gelukt! De derde keer kwam hij dan toch echt tot stilstand en wist hij zich met zijn modderige handen om te draaien om op handen en knieën terecht te komen.

‘Als ik voorzichtig ben, kan ik hier misschien wel weer lopen,’ dacht Jan.

Hij zette één hand tegen de wand en kwam langzaam overeind. Dat lukte. Daar stond hij dus in het stikkedonker. En hij had geen idee hoever hij omlaag was gegleden. Vast een heel eind. En terug omhoog klimmen over de grond die hij net extra glad had gegleden, dat bleek niet goed te lukken.

Nu weten jullie al dat Jan een heel erg vrolijke jongen is, die altijd zingt. Maar als je daar dan zo staat, in het donker en je weet niet waar je bent en eigenlijk niet eens waarom je daar bent en je hoort hooguit een echo om je heen en je kunt geen kant op; tja dat wordt je toch gauw heel even iets minder vrolijk, denk je ook niet? Dat had Jan dus ook. Een tijdje stond hij uit te hijgen en te luisteren naar z’n eigen adem. Hij wilde hij eigenlijk ‘help’ roepen, of vaker en nog veel harder: ‘Help! HELP!!’ Maar daarvoor was Jan dan toch weer te eigenwijs –of misschien te vrolijk. In plaats daarvan trok hij dus een diepe frons in zijn voorhoofd (al kon je dat niet zien natuurlijk) en hield hij zijn benen stijf, zodat z’n knieën niet meer beefden. Ook klemde hij z’n kaken even op elkaar zodat ze niet meer klapperden.

Toen mompelde hij zachtjes bij zichzelf, ‘Ik kan geen kant op. Of eigenlijk maar één kant: verder gaan. Dan moet ik dat maar gewoon doen.’ Voorzichtig zette hij één voet vooruit - en stootte prompt hard tegen een steen. ‘Verdorie, hoe kom ik hier ooit uit!’ riep Jan nu kwaad en hardop.

‘Waarom vraag je dat niet gewoon?’ klonk opeens een lichte stem van vlakbij.

Jan schrok zó dat hij een sprongetje maakte, uitgleed, ‘Au!’ op z’n gat belande en nog meters doorgleed voordat ‘ie hijgend weer stil lag.

‘Als je rustig blijft wil ik best verder praten maar als je zo wild doet ben ik een beetje bang voor je’, ging het stemmetje verder.

Jan was zich rot geschrokken van die plotselinge stem, maar dat wilde hij niet laten merken. Dus krabbelde hij overeind, klopte zich af en zei toen heel stoer: ‘Ik –eh- vond het zo fijn dat er hier iemand is die me kan helpen dat ik een sprongetje van blijdschap maakte, enne … toen gleed ik een beetje uit en –eh- nou ja, zodoende.’ Hij kreeg er wel een rood hoofd bij, maar dat kon je toch niet zien, dacht hij.

‘Je broek is stuk!’ zei de stem nu.

Stik, dacht Jan. En hij bedoelde niet de boosheid van z’n moeder over alweer een kapotte broek. En ook niet aan het plagen onderweg als hij in zo’n gescheurde broek naar huis moest lopen.

Hij dacht alleen: hoe kan ‘ie dat zien in het donker?

‘Nou da’s heel eenvoudig,’ zei de stem ‘ik kijk heel anders dan jij denk ik, tenminste als jij een boven-dier bent en dat denk ik wel.’

Jan merkte eerst niet eens dat de stem antwoord gaf op iets dat hij alleen maar gedacht had en niet gezegd, maar toch schrok hij al behoorlijk. Hij was een ‘boven-dier’? Dan moest die ander wel iets heel anders zijn. Iets van onder de grond. Iets wat hier in ’t stikdonker wel kon zien en hij niet. Iets wat hij helemaal niet kende en waarvan hij nog nooit wat gehoord had. Iets wat ook gedáchten kon lezen, drong nu ook eindelijk tot Jan door. Hij werd helemaal bleek van schrik - en hoopte maar dat de ander dat niet zag! Wat zou die ander dan toch voor een soort ding zijn?

‘Een onder-dier gewoon,’ kwam prompt als antwoord.

Zie je wel, hij ziet wat ik denk! En ik weet zelf niet eens wat ik allemaal denk, dacht Jan. En dat is waar. Ga zelf maar eens na wat je allemaal denkt. Zie je wel? Gedachten gaan de hele dag door, hè. Ook als je het zelf niet eens merkt.

‘Inderdaad: ik zie het allemaal wel,’ ging de stem door ‘al is het een rotzooitje daar boven in je hoofd. Verwarrend hè, al die gedachen zo door elkaar. Maar dat hebben alle boven-dieren heb ik gemerkt. Wij onder-dieren doen dat anders!’

‘Wat is een onder-dier?’ sputterde Jan een beetje verlegen terug.

‘Een onder-dier? Eh, tsja, nou kijk, éh … ja … ‘

‘Een heel duidelijke uitleg!’ zei Jan want hij voelde zich weer heel wat flinker worden nu de ander ook even moeite had om uit zijn woorden te komen. ‘Als u nu alles zo duidelijk aan mij uitlegt, dan zal ik wel gauw begrijpen waar ik ben en hoe ik dan dus verder moet,’ vervolgde hij dus meer opgewekt.

Even bleef het stil. Toen giechelde de stem. ‘Grappig,’ zei hij, ‘je bent grappig. Dat vind ik leuk. Ik hou er van. Zie je: er zijn maar héél weinig pratende onder-dieren, dus zijn er ook niet vaak grappen te maken.’

‘Toch,’ zei Jan, die zijn best deed om kalm tegen het donker aan te blijven praten, ‘toch zo het best prettig zijn als ik er óók wat meer van begreep.’

‘Dat kan ik me voorstellen,’ antwoordde de stem op redelijke toon. ‘Ik ben … eh, mijn naam is voor jou moeilijk uit te spreken. Zeg maar gewoon Bakbeest,’ legde hij uit.

‘Bákbeest?’ zei Jan beduusd.

‘Oh,’ reageerde de ander, ‘ik zie dat je bij die naam moet denken aan iets heel groots en onbenulligs. Ja, ik weet nu eenmaal niet hoe ’t er boven aan toegaat, hè.’

‘Hoezo: boven?’ zei Jan.

‘Nou, heel eenvoudig, jij komt van boven naar beneden toch? En ik was hier al. Dus hier is beneden en ik ben ook beneden, wat logisch is voor een onder-dier. En jij wil weer naar boven. Ook heel gewoon voor een boven-dier, dus boven is gewoon boven daarom. Logisch. Snap je wel?’

‘Nou wat ik wel snap is dat jou uitleg voor mij niet altijd even duidelijk is,’ zei Jan met een zuchtje en hij vervolgde, ‘Je zei eerder ook dat er niet veel onder-dieren zijn hier. Ken je wel meer boven-dieren dan?’

‘Niet die ook nog kunnen praten,’ zei de stem ‘Maar ze kunnen wel allemaal denken, grote en kleine, dus ik heb wel eens eerder met een boven-dier gepraat.’

Hier moest Jan even over nadenken, maar toen drong het tot hem door. ‘Dan kun jij dus ook praten met vossen en konijnen en zo,’ zei hij verbaasd.

‘Wat zijn konijnen?’ vroeg de stem aarzelend.

‘Nou, boven-dieren die graag gangen graven. Niet zulke grote dieren, enne, met een pluizig donsje op hun kont en ook nog met lange flaporen,’ zei Jan

‘Oh, die,’ zei de stem. ‘Tja, die hebben niet zulke grote gedachten. Ze denken altijd aan eten: worteltjes, klaver en zo. En ook aan hard weghollen als iets gevaarlijk lijkt. Die heten dus Konijnen. Ja, die heb ik wel eens horen denken.’

Jan zuchtte diep. Wat leek het hem heerlijk om zoiets te kunnen.

‘Ik kan je niet vertellen hoe ’t moet,’ zei de stem die de gedachte van Jan hoorde. ‘Ik kon het altijd al. Het is ook nogal handig hier natuurlijk, want het is hier altijd erg donker, zie je.’

Nou, dat merkte Jan ook, want hij stootte net z’n hoofd omdat hij wat dichter bij de stem probeerde te komen. Je zag geen hand voor ogen en wreef nu met een hand over de zere plek op z’n hoofd.

‘Ik zie dat jij niks ziet,’ zei de stem nu weer ‘dat wordt een blauwe plek, denk ik.’

‘Ik zou wel graag weer iets willen zien,’ zei Jan. ‘Ik zou jou bijvoorbeeld ook wel eens willen zien.’

‘Dat kunnen we wel organiseren, denk ik,’ praatte de stem terug, ‘want je hebt iets verloren en misschien doet dat ding ’t nog wel. Maar dan moet je me beloven niet direct naar me te schijnen, want dan word ik verblind. Je kunt natuurlijk wel ergens anders op schijnen en dan naar mij kijken of zo.’

‘Mijn zaklamp!’ riep Jan blij, ‘heb jij die dan?’

‘Ik pak ‘m even,’ zei de stem en Jan voelde bewegingen zo licht als zuchtjes wind om z’n oren en toen zei de stem, ‘Raap maar op.’

Jan tastte bij z’n voeten rond, voelde de zaklamp, richtte die naar het plafond en zette ‘m aan. Hij deed het gelukkig nog. Na zo lang in het donker te zijn geweest was het licht nu ruim voldoende en kon hij prima rondkijken. Maar hij zag géén ‘Bakbeest’.

‘Bakbeest?’ vroeg Jan aarzelend, ‘waar ben je?’

Kleurplaat

‘Hier,’ hoorde hij toen van beneden komen en hij scheen omlaag. Daar zag hij iets wat helemaal geen Bakbeest was. In tegendeel zelfs. Hij zag een klein pluizig bol dingetje. Hooguit zo groot als een hele dikke muis! Nu hij goed keek zag hij iets dat leek op een neusje aan de voorkant en een dun staartje met daaraan weer een klein bolletje van achteren. Onder het voorste bolletje zaten aan de voorkant twee voetjes. Tenminste als je iets met maar twee tenen al een voetje mag noemen.

‘Ben jij dat echt?’ vroeg Jan verbaasd aan dat neusje dat zijn kant op stak.

‘Ja,’ klonk het terug. Die stem leek véél te hard om uit zo’n klein diertje te kunnen komen, maar ’t was wel dezelfde stem. ‘Ja, ik ben Bakbeest,’ zei de stem nu.

Nee, jij bent bepaald geen Bakbeest, dacht Jan, eerder een pruts-beestje. Dat had hij natuurlijk niet willen kunnen denken. Maar ja: denken gaat vanzelf, hè.

‘Pruts-beestje,’ zei het voormalige Bakbeest voor zich uit, ‘Prutsbeestje, ja dat kan ook. Klinkt wel lekker. Lief ook. Wollig. Ik noem mij voortaan maar Prutsbeestje.’

‘Eh, niet doen,’ zei Jan. ‘Prutsbeestje klinkt voor ons van boven eigenlijk wat onaardig. Ik bedoelde dat niet zo, maar het zegt meer dat je wel heel erg klein bent en zelfs onbeduidend. Bijna niks eigenlijk. Ik bedoelde meer dat je maar een klein beetje beestje bent eh … ’

Hij begon te stotteren en kreeg een rood hoofd. Maar het Prutsbeestje keek niet naar hem, hij probeerde gewoon van alles: ‘Bakbeest,’ hoorde Jan hem duidelijk mompelen, ‘Bakbeestje, Prutsbeestje, Onbeduidend Beestje, Klein Beetje Beestje. Mm, Beetje-beestje, ja! Beetjebeestje … ’

‘Beetjebeestje vind ik wel leuk’, zei hij toen hardop en blij.

‘Dan noem ik jou Beetjebeestje. Zeg, Beetjebeestje als je nou eens een beetje … Hè, ik raak in de war van die naam van jou,’ ging Jan verder.

‘Dat geeft niks, dan kunnen we lachen!’ zei Beetjebeestje die nog steeds blij klonk.

‘Oh, ja? Lach jij graag?’ zei Jan en hij keek verbaasd naar dat pluisje beneden.

‘Let maar eens op!’ klonk het omhoog vanaf zijn voeten en nog geen tel later flitste Beetjebeestje schaterend om hem heen. Tegen alle wanden op en omhoog en omlaag als een dol geworden stuiterbal. Hoe hard Jan ook meedraaide en hem met z’n ogen probeerde te volgen, Beetjebeestje was sneller dan Jan kon kijken. Hij werd er duizelig van, sloeg zijn handen tegen zijn oren tegen het weerkaatsende geschater van de rondstuiterende Beetjebeestje en gilde: ‘Hou op!’

‘Nu al uitgelachen? Je zegt ’t maar!’ zei Beetjebeestje terwijl hij zich inhield en vlakbij Jan nog wat na stuiterde. ‘Wat gaan we dan nu doen?’

‘Nou, als je het niet erg vind zou ik wel graag weer naar buiten willen,’ zei Jan, ‘of naar boven dus, zoals jij het noemt.’

‘Ga gerust je gang,’ zei Beetjebeestje, ‘en bedankt vast voor m’n mooie naam.’

Maar Jan legde hem uit dat het niet zo makkelijk voor hem was om boven te komen, want als hij de ene kant opging gleed hij verder naar beneden en de andere kant op was zo stijl dat hij steeds weer achteruit gleed en dat schoot ook niet op natuurlijk.

‘Ik stuiter gewoon naar boven,’ zei Beetjebeestje, ‘gewoon heen en weer en dan tegelijk naar boven stuiteren, begrijp je wel? Maar niet te hoog, want vlak bij boven wordt het veel te licht voor mij.’

‘Daar hou ik juist van, van dat licht,’ zei Jan.

‘Ja dat zie ik, want je hebt een beetje licht mee naar beneden genomen. Ik vind dat een hele mooie verpakking voor licht. En het is ook heel handig bedacht dat het licht met een knopje aan- en uit kan.’

‘En stuiteren kan ik niet’ ging Jan door, ‘maar toch wil wel weer naar boven’

Beetjebeestje bekeek Jan eens goed en gaf toen toe dat hij ook dacht dat het voor Jan geen goede methode zou zijn: omhoog stuiteren. Hij vond dat Jan ook al niet geweldig stuiterde toen hij eerder omlaag gleed en later ook al niet toen hij nog een keer op z’n billen belandde. Beetjebeestje grijnsde en Jan kreeg een kleur.

‘Je kunt wel lopen en ook glijden’, zei Beetjebeestje ‘dus dan glijden we toch gewoon verder naar beneden?!’

‘Maar ik wil helemaal niet verder naar beneden,’ riep Jan boos.

‘Oh, maar als we gewoon verder naar beneden gaan dan wordt het daar ook weer licht, hoor’, verzekerde Beetjebeestje hem.

‘Hè? Dat kan toch helemaal niet!’ vond Jan.

‘Jazeker wel,’ zei Beetjebeestje vol zelfvertrouwen, ‘kom maar gewoon mee dan zie je het zelf!’ en hij trok Jan aan z’n broekspijp.

‘Ga jij dan maar voor’, zei Jan en hij volgde Beetjebeestje met het licht van z’n zaklamp. Nog maar net had hij een paar voorzichtige passen op de spekgladde en schuin aflopende vloer gezet of hij gleed alweer onderuit en … roetsjte een tel later op z’n toch al vieze broek als op een glijbaan naar omlaag. Beetjebeestje zag hem komen en rolde nóg sneller voor hem uit.

Met het licht van de zaklamp zag Jan gelukkig alle dingen die uit de muur of het plafond staken op tijd om te voorkomen dat hij zich er hard aan stootte. Maar hij maakte er zich wel zorgen over dat hij nu nog verder omlaag ging. Net toen hij daarover iets naar Beetjebeestje wilde roepen, hield hij verbaasd z’n adem in: verderop scheen licht! Even later werd de bodem bijna vlak en plotseling lag Jan stil vlak voor een kleine ronde ruimte. Een ruimte met daglicht!

‘Ik zei het toch,’ zei Beetjebeestje die een heel stuk terug in het donker was achter gebleven, ‘hier beneden is ook bovenlicht!’

Jan keek verbaasd rond en toen omhoog. Hij zag een lange, kaarsrechte buis van gemetselde stenen. Helemaal rond en steil omhoog. En helemaal bovenin zag hij een kleine ronde opening, vol helder daglicht.

‘Een oude mijngang. Of eerder een diepe put,’ zei Jan ademloos van verbazing.

‘Schrik zo meteen niet: ik hoor hier vaak plotseling geluiden opklinken. Praat geluiden, net als jij maakt, maar dan harder!’ zei Beetjebeestje achter hem.

‘Praatgeluiden?’ wou Jan net vragen toen hem plotseling van bovenaf een geluid toegalmde, dat zich nog een aantal keren herhaalde, voordat het wegstierf: ‘HOE HEET DE BURGERMEESTER VAN WEZEL? – EZEL – Ezel – ezel -

‘Hé, nou snap ik het,’ riep Jan naar Beetjebeestje, ‘het is een …

‘EN WAT EET DE BURGERMEESTER VAN BEIEREN? – EIEREN – Eieren – eieren – klonk het opnieuw!

‘Beetjebeestje: dit is een Echo put,’ zei Jan toen het geluid weggestorven was.

‘Wat is dat: Echo put?’ vroeg Beetjebeestje en hij kwam nieuwsgierig dichterbij, maar niet te dicht, want hij had al veel last van al dat licht.

Jan liep een stukje terug door de schemerige gang en legde aan Beetjebeestje uit dat een echoput een hele diepe put of mijnschacht is. Als je daarin iets roept dan hoor je ‘t laatste stukje van wat je roept nog een keer, omdat het zo nagalmt. En dan lijkt het net alsof de put antwoord geeft. Beetje beestje dacht er over na.

‘Eigenlijk weet je dat ‘antwoord’ dus al hè, want dat is steeds het laatste stukje van wat hebt geroepen,’ zei Beetjebeestje nadenkend. Toen giechelde hij, ‘dan weet ik wel een hele leuke grap!’

‘Wat dan?’ vroeg Jan nieuwsgierig.

‘Als jij nou eens heel andere dingen gaat terugroepen … ‘ zei Beetjebeestje.

Jan zag er dadelijk de lol van in. En zo kwam het dat toen er weer in de put geroepen werd ‘WAT EET DE BURGERMEESTER VAN BEIEREN?’ uit de put opklonk ‘Spruitjes – spruitjes – of ‘Witlof – witlof –

‘Hè?’ zeiden de mensen boven, ‘Er is iets mis met die echo, wat mankeert er aan onze echo put?’ En het duurde dan ook niet lang of er stonden niet alleen veel mensen boven rond de put, maar ook mensen van de krant en de radio. Want het ging als een lopend vuurtje rond dat de echoput plotseling zelf antwoorden gaf. Net toen Jan het op wilde geven, want hij werd wel erg moe van steeds maar weer gekke antwoorden verzinnen, zag hij hoe de witte lichtcirkel bovenaan donkerder werd. En even later klonken er ratelende geluiden, die langzaam omlaag kwamen!

‘Ik denk dat ze komen onderzoeken wat er met de put aan de hand is,’ zei Jan tegen Beetjebeestje, ‘als dat zo is dan kan ik mooi mee naar boven!’

‘Dan ga ik weer gauw terug ’t donker in,’ zei Beetjebeestje, ‘want al die boven-dingen zijn niks voor mij.’

‘Groot gelijk,’ knikte Jan, ‘ik denk niet dat Beetjebeestjes al bekend zijn. Laat dat maar mooi zo blijven – anders zetten ze je ook nog in een dierentuin of zo.’

Wat is … ’ begon Beetjebeestje, ‘Oh nee laat maar: ik ben weg! Doei!

‘Stuiter lekker!’ riep Jan hem na en toen keek hij weer omhoog. En ja hoor, daar kwam een Brandweerman aan een kabel met een stoeltje langzaam omlaag zakken. Toen die bijna beneden was en met z’n zaklamplicht Jan ontdekte, was hij heel verbaasd natuurlijk. Maar hij nam Jan wel mee naar boven.

En zo eindigde het avontuur van onze Jan. Jan Jubel, want hij zingt weer honderd uit. En hij denkt nog regelmatig aan Beetjebeestje. Sterker nog: hij praat nog wel eens stiekem even met hem.

Dan roept Jan in de echo put: ‘Wie heeft er beneden een feestje?’ Meestal hoor je dan deze echo: ‘Feestje – feestje – maar soms hoor je ‘Beetje – beestje -

Als er anderen bij zijn valt het hen helemaal niet op. Maar Jan glimlacht stilletjes. Want hij kent hem.

Een onder-ding: Beetjebeestje.